10 minuten

Inkomensvergelijking

Spraakverwarring over ongelijkheid

De wetenschapper sprak het Kamerlid tegen. Dat is niet zo bijzonder, ware het niet dat het hier om een en dezelfde persoon ging: SP-er Ewout Irrgang. Onderwerp: de inkomensgelijkheid. Wordt die nou groter of juist kleiner?

Dit voorjaar kopte de Volkskrant op de economiepagina: “SP-Kamerlid: armen niet steeds armer”. SP-kamerlid en econoom Ewout Irrgang had in een artikel in Economisch Statistische Berichten (ESB) gesteld dat de ongelijkheid in Nederland nauwelijks was veranderd in de periode 1990-2003. Dit mocht, aldus de Volkskrant, opmerkelijk heten omdat de SP weinig gelegenheid voorbij laat gaan het kabinet denivellering te verwijten. Evenwel: “De armen zijn de afgelopen jaren wel degelijk armer geworden”, zo reageerde Irrgang vervolgens in een ingezonden brief. Irrgang stelde dat zijn artikel betrekking had op (relatieve) inkomensongelijkheid maar dat de armoede wel degelijk was toegenomen, blijkende uit een door hem gesignaleerde toename van het aantal voedselbanken.

Vervolgens mengde VVD-kamerlid Stef Blok zich in de discussie. Diens slotsom was dat “De enige gerechtvaardigde conclusie is dus dat de SP jarenlang onzin heeft verkocht over inkomensongelijkheid”. Hiermee onderschreef Blok klaarblijkelijk de uitleg van de Volkskrant. Waarop Irrgang in een tweede ingezonden brief stelde dat “sinds 1980 de inkomensongelijkheid in Nederland sterk gestegen is, die inkomensongelijkheid groter is dan tot nu toe gedacht, de maatschappelijke tweedeling is gegroeid en de armoede de laatste jaren sterk is toegenomen en hij [Stef Blok] weerlegt deze feiten dan ook niet”. (Zie de Volkskrant van 7, 13 en 18 april 2006.)

Irrgang verkoopt onzin volgens Blok, en Blok verdraait feiten volgens Irrgang. Duidelijker werd het er niet op en toch werd het toen stil. Maar hadden de Volkskrant en Blok Irrgang het nu verkeerd begrepen en is de ongelijkheid wel degelijk toegenomen? Of verkoopt Irrgang inderdaad praatjes? Kortom, hoe de vraag te beantwoorden of de inkomensongelijkheid in Nederland de afgelopen decennia nu toe- of afgenomen is?

Nu, dat valt helaas niet ondubbelzinnig uit te maken, want beide uitspraken komen voort uit het misverstand dat inkomensongelijkheid eenduidig vast te stellen is. Dat is echter niet het geval. De vraag of de inkomensongelijkheid toe- of afgenomen is, moet vooraf gegaan worden door de vraag waarover we het precies hebben. Meten is weten, maar men moet wel weten wat men meet. Er zijn evenwel drie problemen: de maatstaf, de cijfers en het wie en wat.

Rijkste

Het eerste en grootste probleem is dat er nogal veel maten voor inkomensongelijkheid zijn. Zo zou men kunnen kijken naar het inkomensaandeel van de rijkste, zeg, 10 procent van de bevolking: hoe groter hun aandeel in het nationaal inkomen, hoe groter de ongelijkheid. Of het verschil tussen het gemiddelde inkomen en het mediaan (middelste) inkomen: hoe groter dat verschil, hoe groter de ongelijkheid.

Men kan het ingewikkelder maken door de gestandaardiseerde interkwartielafstand te beschouwen: dan gaat het om het verschil tussen het hoogste inkomen van het kwart van de bevolking met de laagste inkomens en het laagste inkomen van het kwart met de hoogste inkomens en dat verschil gedeeld door de mediaan. Een andere maat is de ratio tussen het gemiddelde inkomen van de armste 10 procent en de rijkste 10 procent.

Probleem van dit soort maten is echter, dat niet alle inkomensverschuivingen leiden tot andere waarden van de maatstaf. Bij de interkwartiel afstand wordt alles wat er aan de onder- en bovenkant van de verdeling gebeurt in het geheel niet waargenomen, en leiden herverdelingen binnen de vier kwartielen van de verdeling niet tot andere observaties. Bij de ratio van de armste en rijkste 10 procent, wordt geen belang gehecht aan wat er tussen deze uiteinden gebeurt.

Om dit soort meetfouten te voorkomen hanteren economen veelal maatstaven die voor de buitenstaander lastiger te volgen zijn; hét voorbeeld is de Gini-coëfficiënt. Deze ligt tussen 0 (als iedereen een gelijk inkomen heeft) en 1 (als één persoon al het inkomen heeft en de rest niks). Dus hoe hoger de ‘Gini’ is, hoe groter de ongelijkheid. Formeel vat de Gini-coëfficiënt de inkomensongelijkheid samen als de afwijking van de werkelijke inkomensverdeling met een volledig gelijke inkomensverdeling. Daarbij wordt de werkelijke inkomensverdeling weergeven door middel van de zogenaamde Lorenz-curve. Als iedereen evenveel verdient, is deze lijn een rechte diagonale lijn.

De Gini-coëfficiënt meet de inkomensongelijkheid als de oppervlakte tussen de rechte lijn (situatie van gelijke verdeling) en de kromme (weergave van de werkelijke inkomensverdeling) gedeeld door de totale oppervlakte onder de rechte lijn.

Prikkel

Het probleem van ingewikkeld(er)e maten is niet zozeer dat ze ingewikkeld zijn, maar vooral dat ook zij het definitieve antwoord niet zijn. Het voordeel van het gebruik van de Gini is dat deze per definitie meeverandert met elke inkomensverschuiving. Maar de Gini is relatief gevoelig voor inkomensoverdrachten in het midden van de verdeling (daar is namelijk de afstand tussen de rechte lijn en de Lorenz-curve het grootst) en kent minder gewicht toe aan veranderingen in de staarten van de verdeling. Dus verrijking aan de top of verarming onderaan zie je minder goed terug in de Gini. Een tweede nadeel is dat twee verschillende inkomensverdelingen toch dezelfde Gini-coëfficiënt kunnen hebben. Dat is namelijk het geval – zie figuur 1 – als de Lorenz-curven die bij die twee verdelingen horen elkaar kruisen.

Een heel ander punt is dat ongelijkheid meer omvat dan inkomensongelijkheid alleen, zoals Irrgang terecht stelt in zijn artikel in ESB. Het Sociaal Cultureel Planbureau hanteert, in de woorden van Irrgang: “de leef-situatie-index (..) waarin gezondheid, wonen, participatie, sportbeoefening, bezit duurzame consumptiegoederen, mobiliteit, vrijetijdsactiviteiten en vakantie bijeengebracht zijn”. Bovendien is inkomensongelijkheid een relatief begrip. Dat is iets anders dan het absolute begrip armoede. Arm is iemand die onder een (nader te bepalen) armoedegrens leeft. Een ongelijke inkomensverdeling zegt niet veel over de hoogte van de laagste inkomens. En als iedereen hetzelfde lage inkomen heeft, dan is er nauwelijks ongelijkheid maar wel degelijk armoede.

Armoede is overigens evenmin een ondubbelzinnig begrip. Zo verandert het SCP dit jaar zijn definitie van armoede. Tot voor kort was de armoedegrens de voor inflatie gecorrigeerde bijstandsuitkering van 1979, nu is dat 758 euro, zijnde de kosten voor een basispakket voor voeding, kleding en wonen, plus een klein budget voor recreatie en sociaal verkeer. De verlaging van die grens heeft tot gevolg dat het aantal arme huishoudens daalt van 9,8 naar 6,4 procent. Naar eigen zeggen wil het SCP een “indicator die aangeeft wat mensen echt nodig hebben”. Daar valt veel voor te zeggen, maar opmerkelijk is dat het SCP deze indicator zelf voorheen kennelijk nooit echt nodig had (zie de Volkskrant 29-8-2006).

Een belangrijk punt is ook inkomensmobiliteit. De op zich penibele financiële positie van studenten die later waarschijnlijk redelijk gaan verdienen is toch wat anders dan de armoede van mensen die jarenlang in de bijstand zitten. Een toename in inkomensongelijkheid op één moment in tijd, kan mettertijd gecompenseerd worden door nivellerende inkomensmobiliteit. Het bestaan van ongelijkheid kan ook een prikkel zijn, zoals afgedwongen gelijkheid wellicht prikkels voor scholing, werk en ondernemerschap wegneemt.

Manipuleerbaar

Zelfs als de keuze van het theoretische concept helder is, dan moeten er alsnog empirische keuzes gemaakt worden en dat is het tweede probleem. Men kan naar inkomens van huishoudens kijken maar ook naar individuen, of bijvoorbeeld alleen naar het hoofd van het huishouden; men kan naar bruto of netto inkomens (oftewel voor of na belasting); naar inkomens of alleen naar lonen. Al deze keuzes hebben soms daadwerkelijk gevolgen voor de slotconclusie. Aan elke vraag over ongelijkheid moet de vraag ‘ongelijkheid van wie en van wat?’ voorafgaan.

Een derde probleem is de datakeuze. Er zijn vele verschillende datasets in omloop die alle (ook niet ten onrechte) als betrouwbaar aangemerkt worden. Bijna elke economisch instituut (zoals IMF, DNB, CBS) heeft zijn eigen dataset. Sommige zijn op enquêtes gebaseerd, andere op belastinggegevens. Sommige zijn op elkaar gebaseerd. En toch geven ze altijd verschillende en soms onderling strijdige resultaten. Dat instanties eens in de zoveel tijd op andere definities en manieren van dataverzameling overgaan, helpt ook al niet mee om de vraag of ongelijkheid door de tijd toe- of afneemt eenduidig te beantwoorden.

En dat geeft het werkelijke probleem weer. Een veel gebruikte verdediging van economische variabelen als inflatie, consumentenvertrouwen en economische groei is dat ze misschien het niveau niet goed, want arbitrair, meten, maar dat ze de veranderingen, zolang men de definitie maar consequent hanteert, wel goed weergeven. Zouden alle verschillende maten van inkomensongelijkheid, ondanks verschillende uitkomsten, consequent in dezelfde richting wijzen, dan was er uiteindelijk ook weinig aan de hand. Maar zo is het niet. De keuze voor concept, definitie van inkomen en data maken uit. Voor alle maatstaven valt het nodige te zeggen, daarom worden ze ook gebruikt, maar er is geen logische reden om de een boven de ander te verkiezen. Die keuze moet in een niet formeel te voeren discussie gemaakt worden. Die keuze is dus arbitrair, wat een vriendelijk woord is voor manipuleerbaar.

Afname, toename

Laten wij eens kijken naar de Nederlandse inkomensverhoudingen. Aan de hand daarvan kunnen we laten zien dat elke stellingname over groter of kleiner worden van ongelijkheid empirisch valt te onderbouwen.

Kijkend naar de 20ste eeuw (vanaf 1914) en naar de ontwikkeling van topinkomens, constateren Afman en Salverda een sterke afname van de inkomensongelijkheid in bruto inkomen over de periode tot 1975, gevolgd door een stabilisatie in de laatste kwarteeuw. De 10 procent meest verdienende belastingbetalers verzamelden in 1920 niet minder dan 46 procent van het totale inkomen en neemt in de loop van de tijd geleidelijk af. Sinds halverwege de jaren zeventig is het inkomensaandeel van de top 10 procent stabiel rond 28 procent van het nationale inkomen.

De gerenommeerde economen Atkinson en Brandolini (2003) berekenden in the Journal of Economic Literature voor Nederland de Gini-coëfficiënt op basis van verschillende maar als betrouwbaar bekend staande datasets voor de periode 1960-2000. Zij zetten de resultaten in twaalf grafieken uiteen. In de ene grafiek neemt de inkomensongelijkheid toe, in de andere af. In weer een andere eerst af en daarna toe.

En hoe zit het met de laatste jaren, de periode waarover Irrgang en Blok ruzie maakten? Het Sociaal Cultureel Planbureau (2005) meldt dat de ongelijkheid voor het ‘gestandaardiseerde inkomen’ (dat is het inkomen van huishoudens gecorrigeerd naar grootte en samenstelling) volgens de Gini-coëfficiënt licht daalde: 0,264 in 1994 en 0,262 in 2000. Na 2000 wordt het beeld anders. De waarde van de Gini ligt hoger op 0,273 in 2001. Het SCP maakt voor haar berekeningen gebruik van het inkomenspanelonderzoek. Dit is een gegevensverzameling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, onttrokken aan in de eerste plaats de jaarlijkse inkomstenbelastingaangifte van huishoudens. Kijken we naar de ontwikkeling over 2002 en 2003, dan blijft de Gini nagenoeg constant.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek toont via haar online database cijfers over de inkomensongelijkheid van besteedbaar inkomen van belastingeenheden. Dan zien we een ander beeld, namelijk juist van een sterk toenemende ongelijkheid over de jaren negentig, de paarse periode: de Gini neemt toe van 0,306 in 1994 tot 0,311 in 2000. Met een andere maatstaf, de interkwartielafstand, neemt over dezelfde periode de verdeling daarentegen juist af.

Elegant

De consequentie is dat elk politiek opportuun standpunt over de inkomensontwikkeling (schijnbaar) onderbouwd kan worden door het kiezen van een bepaalde dataset. Dat betekent dus dat een uitspraak over inkomensongelijkheid pas zinvol genoemd kan worden als men aangeeft waarover men het heeft. Het is dan ook zaak sceptisch te zijn als er ongeclausuleerd beweerd wordt dat de ‘kloof tussen arm en rijk’ in Nederland (of tussen de 1e en 3e wereld) toe- of afgenomen is. Zonder onderbouwing is zo een bewering zinledig. Onderbouwd is het een stellingname in een wetenschappelijke discussie die nooit definitief beslist is. Dat is jammer voor wie ondubbelzinnigheid als een deugd beschouwt. Maar het is onvermijdelijk voor wie een zindelijke discussie als een nog grotere deugd beschouwt.

In dat wetenschappelijke debat moet Irrgang zijn bijdrage gezien worden, en in dat debat is het een nuttige bijdrage. De publieke discussie over inkomensongelijkheid doet evenwel surrealistisch aan. Er wordt drukte gemaakt over volledig uit de context gelichte metingen van een betwistbaar begrip en zo lijkt het alsof iedereen geëngageerd is.

Het had Irrgang beter gestaan als hij zijn eigen wetenschappelijke bijdrage serieus had verdedigd in plaats van een malle discussie te voeren over de semantische betekenis van de begrippen ongelijkheid en armoede. En het was weinig elegant van Blok om zijn uithaal naar de SP met niet meer dan een krantenkop te onderbouwen.

De wetenschappelijke discussie over inkomensongelijkheid is een genuanceerde. Voor het politieke debat geldt dan ook de dialoog uit het tv-programma Yes, minister. “Statistics? You can prove anything using statistics!”. “Yes, even the truth”.

Met dank aan Emiel Afman.

Literatuur:

- Afman, E. R. en W. Salverda (2005), ‘Topinkomensaandelen in de twintigste eeuw’, Economisch Statistische Berichten 90 (4472).
- Atkinson, A. B. (2002), ‘Data Matter’, revised version of the Alfred Cowles Lecture.
- Atkinson, A. B. en W. Salverda (2005), ‘Top Incomes in the Netherlands and the UK over the twentieth century’, Journal of the European Economic Association, 3(4).
- Atkinson, A. B. en A. Brandolini (2003), ‘Promise and Pitfalls in the Use of “Secondary” Data-Sets: Income Inequality in OECD Countries as a Case Study’, Journal of Economic Literature, 39(3).
- Centraal Bureau voor de Statistiek (statline ) http://statline.cbs.nl.
- Irrgang, E. en M.Hoeberichts (2006), Inkomensongelijkheid in de eenentwintigste eeuw’, Economisch Statistische Berichten, pp. 152-153.
- Sociaal Cultureel Planbureau ‘De Sociale staat van Nederland 2005.’

Gerelateerde artikelen