'Investeer in baby's'

Interview met welvaartsstaat-goeroe Esping-Andersen

Het oude idee van de verzorgingstaat is herverdeling van inkomen. In de toekomst is haar belangrijkste doel: investeren. Aldus welvaartsstaat-goeroe Esping-Andersen. 

Er zijn weinig Europese regeringen waar de van oorsprong Deense econoom Gøsta Esping-Andersen niet op bezoek is geweest voor advies over de vraag hoe de verzorgingsstaat te redden is. Hij was in het verleden verbonden aan Harvard University en werkte voor de OECD, VN en Wereldbank en hij is nu professor aan de universiteit in Barcelona. Zijn laatste boek is getiteld Why We Need a New Welfare State en is geschreven op verzoek van de Europese Unie. Volgens Esping-Andersen is het de hoogste tijd om te investeren in de verzorgingsstaat, in plaats van terugtrekkende bewegingen te maken. Dat vertelt hij in een Haags restaurant vlak voordat hij de fine fleur van de Nederlandse beleidsmakers en onderzoekers toe gaat spreken, vanwege de jaarlijkse WRR-lezing.

Esping-Andersen: “Verzorgingsstaten moeten al hun kaarten zetten op goede scholing. Het verhogen van het opleidingsniveau is een van de grootste uitdagingen van onze tijd. Het kenmerk van de nieuwe economie is een sterke groei van kennisbanen die goed betaald worden. Het belang van opleiding neemt steeds meer toe. Iedereen moet op de arbeidsmarkt verschijnen met een zo hoog mogelijke kwalificatie. Dat kan nieuwe ongelijkheid creëren, omdat niet iedereen evengoed kan leren. Maar gelukkig is er nog meer nieuws. Er is ook een groei van banen waarvoor alleen een lage opleiding is vereist met navenant laag loon, met name in de dienstverlening. Dat is mooi want dat betekent dat er veel mogelijkheden zijn om de arbeidsmarkt op te komen. Ik maak mij dus ook helemaal geen zorgen over de groei van dergelijke laagbetaalde banen en de bijbehorende ongelijkheid.

“Wat alleen niet mag gebeuren is dat laagbetaalde banen een val worden voor mensen waar ze niet uit kunnen komen. Op dit punt ben ik anders gaan denken. In het verleden ging de discussie in verzorgingsstaten vooral over gelijke uitkomsten en over het wegnemen van lage lonen en slechte banen. Dat vind ik nu minder belangrijk; er is niets mis met laaggeschoold, laagbetaald werk, als het maar tijdelijk is. Mobiliteit op de arbeidsmarkt is daarom belangrijk. En mobiliteit vereist dat mensen zich scholen en ontwikkelen en bij de start van hun loopbaan voldoende cognitieve vaardigheden mee krijgen.”

De scholing is nu onvoldoende?
“De huidige verzorgingsstaten hebben hier een groot probleem. Niet alleen migrantenkinderen hebben niet de vereiste cognitieve vaardigheden, dat geldt ook voor te veel autochtone kinderen. Oorzaak is het opgroeien in families met een geschiedenis van armoede en kansloosheid. Opgroeien in armoede frustreert de schoolcarrière van kinderen. Onderzoek laat dat verband glashelder zien. Daarom moet inkomensbeleid voorop staan: arme gezinnen met kinderen moeten steun krijgen. Ook in Nederland is de laatste jaren het aantal kinderen dat opgroeit in armoede toegenomen.

“Daarom is mijn advies aan de politiek: investeer in kinderen! Vanaf dag één van hun geboorte. Om de broodnodige cognitieve kennis bij te brengen moet je jong beginnen. Dat is in het belang van het kind en van die van de samenleving, want die kinderen moeten onze pensioenen verdienen. Dergelijke investeringen kosten helemaal niet veel geld, een paar tiende procent van het bnp, en het loont meteen. Overigens is het gezinsinkomen wel een belangrijke factor maar niet de enige. De culturele houding van de ouders is dat ook: opvoeders moeten motivatie en nieuwsgierigheid bijbrengen. Het is aangetoond dat een kind waarvan de ouders tien boeken in huis hebben, het veel beter doet dan een kind dat opgroeit zonder een boek in huis. Deze achterstand compenseren is lastiger dan financiële achterstand, maar toch kan de verzorgingsstaat bijdragen aan het cultureel kapitaal.”

Waar denkt u aan?
“De verzorgingsstaat kan zorgen voor een zo gelijk mogelijke start. Dat vraagt om te beginnen om een uitbreiding van het ouderschapsverlof. Jonge moeders gaan veel te snel weer aan het werk, ook in Nederland. Affectie krijgen in het eerste jaar is cruciaal voor een stabiele sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind, dus zorg dat de moeder of vader ouderschapsverlof kan opnemen van 9 tot 12 maanden. Zorg dat er daarna kinderopvang is van een pedagogisch hoge kwaliteit, want die beginjaren zijn doorslaggevend voor de cognitieve ontwikkeling. Met name kinderen van laagopgeleide ouders profiteren van een dergelijke kinderopvang.

Kinderopvang is ook voor kinderen uit migrantengezinnen heel belangrijk. Als er sprake is van fysieke isolatie gecombineerd met een sociaal-culturele afstand tot de samenleving graven we ons eigen graf – de rellen in Parijs van afgelopen najaar hebben dat laten zien. Dan worden kinderen streetwise in plaats van schoolwise. Migrantenkinderen moeten zo snel mogelijk vertrouwd raken met de cultuur van het ‘nieuwe’ land en al vroeg in hun leven taalachterstanden wegnemen. Nu beginnen ze school vaak met een leerachterstand.”

In Nederland wordt gesproken over het verlagen van de leerplichtige leeftijd.
“In Denemarken speelt zelfs de discussie om kinderopvang vanaf het eerste jaar dwingender op te leggen. Dat geldt overigens alleen voor ouders die een bijstandsuitkering hebben. Zij kunnen gekort worden als ze hun kind thuis houden. Misschien lukt dat in Denemarken makkelijker dan in morele samenlevingen als Nederland en Duitsland waar familiewaarden belangrijker zijn. Maar volgens mij hoeven dergelijke verplichtingen niet: er zijn veel manieren om gebruik van de opvang te stimuleren.

“Investeren in kwalitatief goede kinderopvang is de crux van de nieuwe verzorgingsstaat. Ik kan jullie voorrekenen dat investeren in kinderopvang net zoveel of misschien zelfs meer oplevert dan beleggen op de aandelenmarkt. Het is niet alleen van belang voor de ontwikkeling van kinderen maar ook voor de positie van vrouwen. Het ontbreken van goede opvang leidt er toe dat vrouwen niet gaan werken of te weinig werken, bijvoorbeeld in deeltijd. Dat ruïneert de inkomensperspectieven van vrouwen – ze verdienen uiteindelijk in heel hun leven veel minder – en daarmee vergroot je ook de risico’s voor kinderen. Dan is de cirkel rond: als kinderen in armoede leven verkleint dat hun maatschappelijke kansen. Dat is heel kostbaar, niet alleen voor het gezin, maar ook voor de samenleving in zijn algemeen.

“Bovendien leven we in Europa nog met een andere tijdbom: de daling van het geboortecijfer. Gebrekkige kinderopvang heeft ook tot gevolg dat mensen minder kinderen zullen krijgen. Dat zien we heel goed in landen als Italië en Spanje. Ooit hadden die de hoogste geboortecijfers van Europa, nu de laagste. Het vruchtbaarheidscijfer van de Nederlandse vrouw is nu 1.6. En in de toekomst wordt dat nog minder. Nu al is duidelijk dat 20 procent van de vrouwen geen kinderen zal krijgen. Dat betekent dat de Nederlandse bevolking met een kwart inkrimpt.”

In Nederland wordt wel eens gezegd dat dat misschien zo gek nog niet is: we zijn een overbevolkt land.
“Dat is een oerdomme gedachte. Want het betekent dat de economische groei stagneert, dat de verzorgingsstaat niet meer betaald kan worden en dat we niet voor de ouderen kunnen zorgen. Bovendien behoort de verzorgingsstaat mensen in staat te stellen te doen wat ze graag willen doen. Mensen willen graag twee kinderen – dat is in de meeste Europese landen zo – maar die hebben ze niet. Het beleid moet zich op die wens richten.”

Leidt meer kinderopvang dan logischerwijs tot meer kinderen?
“Nee er zijn veel andere factoren. Economische onzekerheid en flexibele banen voor vrouwen verlagen het geboortecijfer. En de rol van mannen doet er ook toe. In Zweden zie je dat koppels een tweede kind nemen als de man veel heeft meegeholpen in het huishouden en opvoeding van het kind. Dan willen vrouwen nog wel een tweede.

“Er is een asymmetrie in de rolontwikkeling van de seksen. De vrouwenrol is revolutionair veranderd. In hoog tempo zijn vrouwen aan het werk gegaan, economisch zelfstandig geworden, en in opleiding mannen voorbij gestreefd. Kortom: hun rol is vermannelijkt. Maar omgekeerd zijn mannen nauwelijks aan het feminiseren. Ze doen een beetje meer in het huishouden vergeleken met tien jaar geleden. De Deense mannen deden bijvoorbeeld echt niks, een echte macho-houding, en dat is nu wel iets veranderd. Hetzelfde geldt voor de VS. Maar verder is er weinig gebeurd. Geen man gaat op papa-verlof. Dat is rationeel een begrijpelijke beslissing. Het devalueert hun carrière en ze verdienen gemiddeld 30 procent meer dan vrouwen en dus ben je dief van je gezin als de man het verlof opneemt. In Zweden, waar de loonverschillen tussen mannen en vrouwen minder groot zijn, zie je dat meteen: daar nemen meer mannen verlof op.”

U pleit voor het Deense model: meer kinderopvang. Is dat over de hele linie beter dan het Nederlandse deeltijdmodel?
“Het parttime-model van Nederland is niet voor de eeuwigheid. Als vrouwen een betere opleiding krijgen, willen ze heus geen deeltijdbaan meer. Ze hebben dan zoveel geïnvesteerd in hun opleiding, dat ze die investering er ook uit willen halen. Hoe hoger de opleidingsgraad, des te meer vrouwen voltijds zullen werken, of tenminste grote deeltijdbanen willen. Daarnaast is in economische zin het deeltijdmodel onhoudbaar: door de vergrijzing is het noodzakelijk dat meer mensen meer uren gaan werken. Als we ons welvaartsniveau willen behouden en deze verzorgingsstaat bekostigen, kan het niet anders dan dat vrouwen voltijd gaan werken.

“Met andere woorden: als Nederland economisch bij wil blijven, zal ze veel meer moeten investeren in kinderopvang, gecombineerd met langdurig verlof. Nederlandse vrouwen hebben blijkbaar moeite om zorg en arbeid te combineren, anders was het geboortecijfer niet dalende. En als de Nederlandse regering meer oog zou hebben voor de wensen van vrouwen was dat allang gebeurd.”

Er is veel onrust over verlies aan arbeidsplaatsen door lage lonenlanden in en buiten Europa. Is dat een bedreiging?
“Ik weet niet wat er nieuw is aan het debat over het verliezen van bedrijvigheid aan andere landen. Dat gebeurt al sinds de jaren vijftig, zestig. En dat is ook prima. Het kapitaal kan dan weer geïnvesteerd worden in nieuwe technologieën, zo ontstaat er een andere economie. Wat wel belangrijk is, is oog te hebben voor de mensen die er tussen uit vallen als de economie verandert. Ik weet niet of migratie in Europa – bijvoorbeeld van Polen die hier komen werken – effect heeft op de verzorgingsstaat. Meestal gaat het om tijdelijke migratie – de meesten gaan na een aantal maanden weer terug. Dat betekent ook dat ze geen recht hebben op uitkeringen.”

In Nederland neigt de politiek naar het vergroten van keuzevrijheid in de regelingen van de verzorgingsstaat. Burgers zouden meer te kiezen willen hebben.
“Ik denk dat de vraag van belang is waarom mensen willen kiezen. Vaak komt die wens als het niveau van de publieke dienstverlening te wensen overlaat. Dat kan ik me voorstellen. In het Zweedse onderwijssysteem is het nu ook mogelijk. Ik zie dat de betere scholen zich nog sterker maken en een niche in de markt zoeken. Zwakke scholen gaan bergafwaarts. Op het terrein van sociale zekerheid is vrije keuze spelen met vuur. Risk pooling kan alleen bestaan wanneer mensen een veil of ignorance hebben. Men moet niet weten wie, wanneer sociale zekerheid nodig heeft, anders kan het systeem niet overleven. Individuele levensloopregelingen zijn geen goed antwoord op het probleem van het combineren van zorg en arbeid. Mensen zonder kinderen moeten solidair zijn met mensen met kinderen. Ze moeten inzien dat deze kinderen later hun pensioen betalen.”

U benadrukt het toegenomen belang van arbeidsmobiliteit. Wat is er voor nodig om die te verbeteren?
“In Europa zijn er landen met een extreem lage arbeidsmobiliteit, zoals Duitsland, en landen die het veel beter doen, zoals de Scandinavische. Dat heeft alles te maken met de zogenaamde ‘onderwijsbruggen’. In landen waar je voortdurend kan leren, is de mobiliteit veel groter. In Duitsland bestaan er allerlei zeer gespecialiseerde beroepsopleidingen binnen bedrijven die de doorgang blokkeren. In Zweden gaan ze nu daarom naar een nog meer algemene beroepsopleiding zodat er geen barrières zijn om van beroep te wisselen. Ook het Deens activeringsprogramma is gericht op upper secondary skills, algemene vaardigheden.

Maar nogmaals, hoe goed mensen het doen hangt vooral van de vroegste scholing en opvoeding af. Als kinderen eenmaal 10 of 12 jaar oud zijn valt er weinig eer meer aan te behalen.”

Monique Kremer is medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Alle artikelen
Jelle van der Meer is journalist en publicist.
Alle artikelen