Liberalisering leidt tot zelfmoord

Boeren in India

India is één van de snelst groeiende economieën in Azië. Door modernisering en liberalisering weet de regering haar positie op de internationale markt te verbeteren. Maar dit beleid heeft zijn prijs. De deelstaat Andhra Pradesh kampt sinds jaren met een ware golf van zelfmoord onder boeren. 

In de Indiase deelstaat Andhra Pradesh worden sinds enkele jaren krachtige neoliberale hervormingen doorgevoerd. Dit heeft veel onrust veroorzaakt. De dreiging van extremisme is toegenomen, nieuwe afscheidingsbewegingen staken de kop op en de regering trad met geweld op tegen protesten: in 2007 vielen doden toen de politie het vuur opende op betogers die om een eerlijkere verdeling van land vroegen. Tenslotte is de staat bekend geworden door de grote hoeveelheid boeren die zelfmoord plegen.

Andhra Pradesh kent grote verschillen, met name tussen het relatief welvarende kustgebied en de arme, droge gebieden landinwaarts. In het kader van de neoliberale politiek werd veel financiële ondersteuning door de staat ingetrokken; marktmechanismen moesten hun werk doen. Dit heeft vooral de kwetsbare bevolkingsgroepen en regio’s getroffen. Boeren  in deze gebieden zien vaak geen andere uitweg dan een eind te maken aan hun leven. Welke factoren zijn het die boeren tot deze wanhoopsdaad drijven?

De nationale economische liberaliseringsagenda is vanaf 1996 in hoog tempo doorgevoerd in Andhra Pradesh. Sneller dan in andere staten werden subsidies door de overheid teruggeschroefd of afgeschaft. De kosten voor water werden in korte tijd vijf keer zo hoog als voorheen en de elektriciteitstarieven werden in 1996, 1999 en 2000 fors verhoogd. Private ondernemingen en investeerders kregen gratis land, energie en belastingvoordelen aangeboden. Er werden speciale economische zones aangewezen waar buitenlandse investeerders alle ruimte kregen. De regering van de deelstaat investeerde volop in toerisme, informatietechnologie en de financiële sector. Tegelijkertijd probeerde de nationale regering van India de staatsschuld terug te dringen, met als gevolg dat er flink werd bezuinigd op de uitgaven in de publieke sector en de bijdragen aan de deelstaten. In de landbouw werden de overheidsuitgaven fors teruggedrongen in de valse hoop dat de sector zou profiteren van hogere winsten als gevolg van de liberalisering van de handel en een stijging van de prijzen. Het beleid was erop gericht om het aandeel van de landbouw in de economie aanzienlijk te verminderen.

Het gevolg was inderdaad een groei in de industrie- en dienstensector, terwijl de groei in de landbouw juist terugliep. Was de groei van overheidsuitgaven in de landbouw in de jaren tachtig nog 8,5%, in de jaren negentig was dit teruggelopen tot 1,4%. Private investeringen in de landbouw namen in de jaren tachtig met 4,7% toe en liepen in de jaren negentig terug tot -3,8 %.  Ook de investeringen in de infrastructuur, zoals irrigatiesystemen, wegen en markten, liepen terug, net als die in onderzoek en innovatie.

In Andhra Pradesh was het aandeel van de landbouw aan het bruto nationaal product in 1983 nog ruim 40%. In 2005 was dit gedaald tot 27%. Het aantal werkers in de sector is echter gelijk gebleven, waaruit duidelijk wordt dat het inkomen van individuele boeren is gedaald, terwijl anderen, inclusief boerenbedrijven boven de tien hectare, erop vooruit zijn gegaan. Opvallend genoeg bleek het aantal zelfmoorden hoger in een regio waar ook een hogere groei in de agrarische sector was. Dit valt te verklaren uit de zeer hoge risico's die boeren moesten nemen om te kunnen mee komen. Als het dan mis gaat, gaat het ook heel erg mis.

Schulden

Het liberaliseren van de handel heeft vooral de kleine boeren in een regelrechte financiële crisis gestort. De prijzen voor katoen, pinda’s, specerijen en spijsolie daalden doordat de invoerbelasting op deze producten vrijwel werd afgeschaft. De vrije invoer van zaden leidde niet alleen tot de komst van allerlei nieuwe soorten, inclusief de genetisch gemanipuleerde zaden, maar veroorzaakte ook prijsstijgingen en een toename van het risico. Er werden namelijk ook nepzaden verkocht, waar niets uit groeide, maar die wel voor hoge prijzen werden verkocht. Controle hierop ontbrak. De inkomsten van de boeren daalden door de val van de prijzen voor hun oogst, maar hun kosten liepen op door de stijging van de prijzen voor zaden.

Ook de kosten voor irrigatie stegen. Zonder irrigatie geen agrarische groei. Maar de irrigatiepolitiek van de regering van Adhra Pradesh was altijd al controversieel. Zij investeerde vooral in de toch al welvarendere kustregio. In de arme en drogere gebieden ontbreken daardoor goeddeels irrigatiekanalen, waardoor boeren zijn aangewezen op grondwater om hun land te irrigeren, een veel onzekerdere bron. Er is een hevige competitie tussen de boeren om irrigatiebronnen te bemachtigen. Daar komt bij dat irrigatie in droge gebieden belangrijker is en kostbaarder. Overheidssteun is echter in de afgelopen jaren verminderd of geheel weggevallen door de sluiting of privatisering van publieke instituten die de boeren ondersteunden bij het ontwikkelen van irrigatiesystemen, evenals bij de selectie en aankoop van zaden en het collectieve spinnen van de geoogste katoen.

Door het wegvallen van collectieve voorzieningen moet elke boer individueel investeren. De  onderlinge verbondenheid is daardoor afgenomen, waardoor de positie van boeren als beroepsgroep is verzwakt, zowel tegenover de overheid als op de markt.

Om te kunnen concurreren op de markt zijn meer investeringen nodig dan voorheen: dure zaden, pesticiden en kunstmest zijn nodig. Door het wegvallen van de overheidssteun zijn de boeren steeds meer aangewezen op commerciële kredietverstrekkers. Banken tonen zich echter steeds minder genegen krediet te verstrekken aan boeren. Zij gaan liever met grote snelgroeiende bedrijven in zee. Het aandeel van kleine leners bij banken liep terug van 22% in 1991 naar 7% in 2001. En dus nemen boeren hun toevlucht tot de informele sector, waar de rentes soms wel oplopen tot 30% van het geleende bedrag. In Andhra Pradesh is het aandeel boeren dat in de informele sector geld leent, hoger dan in de rest van India, namelijk 86 tegen 42%. Binnen de deelstaat gaan de bancaire kredieten bovendien vooral naar de rijkere kustprovincie.

Samengevat: de modernisering leidde tot de sluiting van collectieve instituten, reduceerde de overheidsbijdrage aan de infrastructuur, leidde tot een exorbitante verhoging van de energieprijzen, toenemende afhankelijkheid van dure grondwaterbronnen, hogere irrigatiekosten en een hoge mate van afhankelijkheid van informele geldschieters die woekerrentes vragen. Daarnaast zijn ook de kosten op het gebied van gezondheid en onderwijs gestegen. Ook deze sectoren zijn namelijk geprivatiseerd. De rijken maken gebruik van de betere geprivatiseerde voorzieningen, terwijl de armen zijn aangewezen op de verslechterde publieke instellingen.

De liberalisering in de landbouw heeft geleid tot een toename van ongelijkheid en uitsluiting van onderontwikkelde regio’s en kwetsbare sociale groepen. Kleine en middelgrote boeren zijn veel kwetsbaarder geworden. Hun inkomsten dalen, terwijl de kosten voor de noodzakelijke investeringen en het levensonderhoud stijgen. Ze hebben zich diep in de schulden gestoken, zonder uitzicht op verbetering. Vooral in de arme districten Rayalaseema en Telangana, waar de boeren voor irrigatie afhankelijk zijn van het grondwater en tegelijkertijd voor inkomsten aangewezen zijn op de commerciële markt, zijn de problemen groot. Het is in deze gebieden dat de zelfmoordcijfers het hoogst zijn. 

Sociale en politieke gevolgen

Voor kinderen betekent de dood van hun vader vaak het einde van hun schoolcarrière. Ze moeten helpen om voor het nodige inkomen te zorgen. Meisjes worden vroeger uitgehuwelijkt zodat de zorg voor hen niet langer gedragen hoeft te worden. Voor kinderen betekent dit alles een grote aanslag op hun ontwikkelingsmogelijkheden – werk en huwelijk komen eerder hun leven binnen, ze worden vroeg oud. Armoede is opnieuw aan een volgende generatie doorgegeven.

Op politiek terrein is door de gebeurtenissen eveneens onrust ontstaan. De regering van Chandrababu Naidu kreeg in toenemende mate te maken met protesten en betogingen, vooral tegen de verhogingen van de water- en energietarieven. Vanaf het midden van de jaren negentig ontstond een beweging die ijverde voor de afscheiding van het arme Telangana district. De problemen met irrigatie en de zelfmoorden onder boeren speelden daarbij een belangrijke rol. In 2001 leidde dit tot de oprichting van de Telangana Rashtra Samiti, een politieke partij die pleitte voor afscheiding van Telangana. De zittende regering leed daarop in 2004 een gevoelige nederlaag. Sindsdien staat landbouw weer op de ontwikkelingsagenda. Er zijn enkele maatregelen genomen die de import van zaden, kunstmest en dergelijke reguleren. De regering werkt samen met NGO’s aan de oprichting van zelfhulpgroepen onder boeren. Daarnaast is een ontwikkelingsprogramma gestart om de irrigatieproblemen te helpen oplossen, waarin veel geld wordt gestoken. Helaas zijn opnieuw de armste regio’s met de meeste zelfmoorden uitgesloten van dit programma. Politieke partijen en bewegingen concurreren intussen met elkaar in hun pogingen om sociale onderwerpen op de politieke agenda te krijgen, soms met succes.

Economische hervormingen waren en zijn onvermijdelijk. Juist daarom zijn initiatieven nodig die de landelijke regio’s versterken en de boeren meer kansen geven op een beter bestaan.

Medewerker Center for Economic and Social Studies in Hyderabad.
Alle artikelen