Martelaren van eigen bodem

Hoe radicaliseren Europese moslimjongeren?

Met de moord op Theo van Gogh heeft Nederland kennisgemaakt met de jonge radicale moslims van eigen Europese bodem die willen sterven voor hun geloof. Wat is de verklaring van deze radicalisering van modern westerse makelij? Over schuldgevoel, bezoedeling en revanche, en de rol van beelden.

De geschiedenis van het martelaarschap is net zo oud als die van de islam. In de Koran komen de uitdrukkingen 'martelaar' of 'martelaarschap' niet voor in de betekenis van heilige dood, maar wel in de betekenis van gedood worden op Gods weg. In het islamitisch gedachtegoed nemen martelaars een belangrijke plaats in. De sji'itische minderheid is hierin het verst gegaan. Hun voorbeeld is de martelaar Hoesain, de derde sji'itische imam, de Prins der Martelaren. Die weigerde het gezag te erkennen van kalief Yazied van de Oemajjaden. Op 10 oktober 680 vond hij met 72 medestrijders de dood tijdens een ongelijke strijd tegen de troepen van de kalief. Deze gebeurtenis wordt elk jaar de gehele maand Moeharram herdacht, met name op de rouwdagen ta'ziyya en 'asjoera, en vormt een van de pijlers van de sji'itische identiteit.

Ondanks deze geschiedenis is het martelaarschap en de bijbehorende religieuze rechtvaardiging zoals we dat nu kennen een modern verschijnsel. Historisch is het martelaarschap iets van uitzonderlijke mensen, de navolging door gewone stervelingen gekoppeld aan politieke doelen is van recente datum. Vanaf de negentiende eeuw werd in de islamitische wereld het martelaarschap in verband gebracht met de jihad (heilige oorlog) om de koloniale mogendheden te dwarsbomen. Maar pas met de culturele en sociale modernisering van de moslimlanden zijn de beroemde martelaren uit de begintijd van de islam op grote schaal het model geworden om collectieve eisen te stellen. Het was in Iran met de islamitische revolutie van 1979 en de oorlog met Irak (1980-1988) dat islamitische jongeren het martelaarschap voor het eerst massaal als zodanig opeisten.

Van belang is dat het verschijnsel op zichzelf niet uitsluitend sji'itisch of islamitisch of zelfs religieus is. De meeste martelaren stellen hun leven in dienst van een nationaal ideaal. Het martelaarschap bij de Tamil-tijgers in Sri Lanka is bij uitstek nationalistisch gericht, zonder expliciete verwijzing naar religie. In Algerije willen de émirs, de leiders van radicale groeperingen, van hun land een islamitische samenleving maken. Pakistan kent martelaren in verband met Afghanistan en in verband met Kasjmir dat volgens hen geannexeerd is door het niet-islamitische India. Er zijn martelaren in de Egyptische, Tsjetsjeense en natuurlijk de Palestijnse zaak en zo zijn er nog vele voorbeelden te vinden.

Naast dit 'nationale' martelaarschap bestaat er een tweede vorm: die van de radicale groeperingen als Al-Qaeda. Hier staat de heroïsche daad niet ten dienste van de eigen natie, maar van de vorming van een nieuwe islamitische gemeenschap, met vage grenzen en een nieuw gedachtegoed, in een strijd tegen het Westen in het algemeen en Amerika in het bijzonder. De sociologische, antropologische en politieke kenmerken van dit type martelaar verschillen in hoge mate van die van de 'nationalistische' martelaar.

Diaspora

De achtergronden van de strijd van het tweede type martelaar moeten gezocht worden in de globalisering, inclusief de diaspora van moslims in het Westen, en in de crises van de moslimgemeenschappen in het Midden-Oosten en de voormalige Sovjet-Unie. De laatste decennia hebben zich op voorheen overwegend christelijk grondgebied moslimminderheden gevestigd die in sommige gevallen meer dan 5 procent van de autochtone bevolking omvatten. De moslims in diaspora zijn niet gelijk aan de moslims in de landen van herkomst. De eerste generatie is nog sterk beïnvloed door het maatschappelijk leven in het land van herkomst, voor de tweede generatie geldt dit minder. Die wordt beïnvloed door met name onderwijs en televisie in het land van aankomst.

Er ontstaat in de gastlanden een nieuwe dynamiek van islamisering of herislamisering in niet-islamitische omgeving. De 'homo islamicus' vervaagt onder deze nieuwe omstandigheden. Het overgrote deel van de moslims neemt de culturele zeden en gewoonten van het gastland over. Een deel echter sluit zich aan bij nieuwe vormen van radicalisme, deels omdat men zich economisch gemarginaliseerd en – door racisme – cultureel gestigmatiseerd voelt. Van degenen die integreren, gaat een aantal zich toch als een minderheidsgroep gedragen: men heeft de behoefte om zich te onderscheiden, zoekt aansluiting bij een groepering die zin kan geven aan het bestaan in een ‘wetteloze’ samenleving. Men zoekt de veiligheid en warmte van de kleinere groep, tussen de steeds 'kouder' wordende grotere verbanden.

Bij terugtrekking en afsluiting van de buitenwereld steken nieuwe vormen van radicalisme de kop op. Dat gebeurt op twee manieren: of men keert naar binnen en er ontstaat een vreedzame maar introverte neo-oemma [‘oemma' staat voor de verbondenheid van alle moslims; red.], ofwel men keert zich af van de samenleving en er wordt een oorlogszuchtige neo-oemma gevormd. In het eerste geval wil men een cordon sanitaire om de eigen gemeenschap leggen en andersdenkenden buiten houden. Men probeert de eigen godsdienst in een besloten omgeving uit te oefenen en zich te beschermen tegen de inmenging van de omringende samenleving. Binnen de Westerse samenleving zien we deze houding vooral bij de Tabligh-moslims [een orthodoxe beweging gericht op bekering; in Europa vooral aanwezig in België en Frankrijk; in Nederland in 2003 in het nieuws toen kranten meldden dat een moskee in de Amsterdamse Pijp banden met de beweging zou hebben; red.].

Zedeloosheid

De oorlogszuchtige neo-oemma daarentegen streeft naar een breuk met de wereld van de ongelovigen. Zij willen zuiver blijven in een bezoedelde omgeving en zich effectief verdedigen tegen de zedeloosheid die op de loer ligt. De netwerken waarop groeperingen als Al-Qaeda steunen voor financiering en rekrutering, laten zich niet langs nationale lijnen traceren. De hulp komt van individuen van wie een groot deel zijn motivatie vindt in de oorlogszuchtige neo-oemma.

De martelaren die strijden voor een nationale zaak, zoals de Palestijnen, dromen als individu van een moderne samenleving en een zelfverwerkelijking die onbereikbaar is. Voor de martelaren in de diaspora telt niet zozeer het individueel onbereikbare, maar dat wat voor de gehele gemeenschap onbereikbaar is. Marginale minderheidsgroepen in diaspora hebben een droom van een oemma die alleen kan worden bereikt door zich af te scheiden van de omringende wereld. Zelfontplooiing lijkt alleen mogelijk in zuivere beslotenheid, afgescheiden van anderen, of in de dood als tegenhanger van de wereldwijde samenleving. Om daadwerkelijk voor de zaak te sterven moeten er wel – half denkbeeldige, half werkelijke – aanklachten tegen de samenleving zijn en een organisatie die een martelaarsdood mogelijk maakt. In geval van Al-Qaeda gaat het om zowel de westerse invasie in de moslimwereld (en in het bijzonder het bezet houden van Saudi-Arabië, de heilige grond van de islam, door Amerikaanse soldaten sinds de Golfoorlog van 1990-1991) als om de Amerikaanse houding ten opzichte van de Palestijnen en de westerse houding ten opzichte van de landen waar de islam wordt onderdrukt, zoals Algerije.

Om de verbeeldingswereld van de nieuwe martelaren te begrijpen, zijn twee dingen belangrijk: de vernedering die zij voelen en de westerse arrogantie. Voor martelaren spelen drie soorten vernedering een grote rol. In de eerste plaats de vernedering in het eigen alledaagse leven door economische en sociale marginalisering, zoals bij de buitengesloten Noord-Afrikaanse jongeren in Frankrijk of de Antillianen en Anglo-Pakistanen in Groot-Brittannië. In de tweede plaats de identificatie met de vernederende bejegening van de moslimwereld (Bosnië, Afghanistan, Irak, Palestina, enzovoort) die via verschillende soorten media tot hen komt. Ten slotte de vernedering door ‘bezoedeling’ van een geïdealiseerd zelf die de moslim in de diaspora ondervindt door de onderdompeling in de westerse wereld en waardoor hij als het ware medeplichtig is geworden. Het feit dat je je vaderland hebt verlaten (het maakt niet uit of je dat nu zelf deed of je ouders) geeft het gevoel dat je je onrechtmatig hebt onttrokken aan de ellende van je geloofsgenoten in de moslimlanden. In het Westen zelf actief deelnemen aan de strijd tegen de hegemonie en de arrogantie van datzelfde Westen is dan goed voor je ego. Door de jihad te verklaren aan de westerse vijand krijg je je waardigheid terug die je was kwijtgeraakt.

Politiekogel

De eerste soort vernedering doet zich voor bij jongeren in de Franse voorsteden en in westerse poor inner cities in het algemeen. Zij wreken zich voor alle beledigingen door een grote agressiviteit te ontwikkelen tegenover de samenleving die hen heeft buitengesloten. Een uiterst kleine minderheid raakt misschien betrokken bij het terrorisme, zoals Khaled Kelkal in 1995 in Frankrijk [jonge Parijzenaar van Algenrijnse afkomt die door kleine criminaliteit in de gevangenis kwam en zich daar verdiepte in de islam, eenmaal vrij sloot hij zich aan bij de FIS, de Algerijnse moslimfundamentalisten; hij pleegde meerdere bomaanslagen in Parijs en verloor het leven door een politiekogel; red.].

De middenklasse van de diaspora ontkomt in het algemeen aan buitensluiting, ook al vallen discriminatie en geniepigere vormen van uitsluiting ook hen ten deel. Bij deze groep spelen vooral de twee laatste soorten vernedering een rol, met name de plaatsvervangende vernedering, versterkt en onderhouden door (Arabische) media die de beproevingen van de moslims breed uitmeten, inclusief de inschikkelijke houding van het Westen ten opzichte van despotische of corrupte regimes zoals Saudi-Arabië of Tunesië, die westerse belangen dienen, of ten opzichte van niet-moslimlanden die strijd voeren tegen moslims, zoals Israël.

De islam geeft vorm aan de afwijzing van het Westen. Deze godsdienst leent zich goed als godsdienst van de onderdrukten, van hen die door de 'westerse arrogantie' worden verpletterd. Hoewel bijna elke moslim dit met de paplepel ingegoten krijgt, beschouwt men het Westen toch op wezenlijke punten hetzelfde als de eigen cultuur. Zo kan het gebeuren dat jongeren die opgroeien in Frankrijk denken dat ze Frans zijn tot ze een jaar of zestien zijn en dan, wakker geschud door het dagelijkse racisme, zich plotseling bewust worden van de onpeilbare kloof die gaapt tussen hen en het boze Westen. Met andere woorden: zij denken volledig geïntegreerd te zijn in een land dat zij als het hunne beschouwen totdat zich incidentjes beginnen voor te doen.

Liefde

Een zusje wordt uitgescholden omdat zij niet zoals de andere meisjes uit haar klas met jongens uit wil. Zijzelf krijgen op school stigmatiserende opmerkingen naar hun hoofd geslingerd over hun donkere huidskleur. Door de politieke toestanden in islamitische landen, zoals in Algerije, Bosnië, Afghanistan, Tsjetsjenië en Palestina, ontstaat bij hen solidariteit met de moslimvolkeren, terwijl ze wonen in een land dat moslims nooit serieus steunt. Een diep doorleefd gevoel van persoonlijk verraad, of dat nu voortkomt uit het dagelijkse leven of uit solidariteit met de moslimwereld, geeft de doorslag voor de breuk met het Westen. Vaak gaat het om een mengsel van die twee motieven, versterkt door verschijnselen als anonimiteit en individualisme. Afhankelijk van of men denkt in termen van 'ongeluk' en 'tegenspoed', of een schuldige kan aanwijzen voor alle ellende, lopen de reacties uiteen. Het merendeel raakt in verwarring, wat kan verergeren tot narcisme en een in zichzelf terugtrekken. Bij degenen die uitgroeien tot martelaren leidt het tot diepe verscheurdheid en identiteitsverlies. Zij demoniseren het Westen en beschouwen dat als het absolute Kwaad.

Het aanwijzen 'de vijand' biedt deze jongeren een uitweg uit de afmattende situatie waarin zij steeds maar moeten kiezen tussen verschillende culturen: die van hun ouders, die van het land waarin zij wonen en vaak nog een derde samenleving waar ze veel mee te maken hebben (meestal de Britse of Amerikaanse). De grote meerderheid van de diaspora in het Westen zoekt een oplossing voor die verscheurdheid in de intimiteit van de liefde of door zich in te zetten voor 'liefdadige', humanitaire doelen. De aanhangers van het islamitische radicalisme daarentegen willen af van de moderne ellende (veranderlijkheid, instabiliteit en twijfel) en terug naar een situatie waarin alles volkomen helder is: een onwrikbare overtuiging, mentale zekerheid en een scherpe tweedeling tussen heilig en wereldlijk en tussen toegestaan en verboden.

Zalig

De vijand krijgt voor hen een dermate duivels karakter dat zij in de strijd daartegen niet alleen al hun energie steken, maar dat die zelfs hun levenstaak wordt. In deze religieuze opvatting zijn goed en kwaad absolute grootheden. Er is geen plaats voor halve overtuigingen, gebrekkige motivatie, een genuanceerd geestelijk leven, reflectie en individualiteit. Dit soort identificatie is verwant aan de hedendaagse intolerantie en daarmee onmiskenbaar modern. De radicale islam in diaspora creëert nieuwe tegenstellingen die opnieuw structuur moeten geven aan oude kenmerken (zoals jihad, martelaarschap, exodus, het leven na de dood). De nieuwe godsdienstigheid is doorspekt met moderne kenmerken die door radicalisering worden omgedraaid.

Tegenover de te 'slappe' houding en het gebrek aan mentale samenhang van het moderne individu stelt de nieuwe 'gelovige' innerlijke samenhang, die vervolgens verwordt tot starheid en onwrikbaarheid. Terwijl de moderne individualisten zich juist niet meer onvoorwaardelijk willen identificeren met een of andere 'gemeenschap', staan de volgelingen een monolitische neo-oemma voor die nooit eerder bestaan heeft, maar die hen een uitzicht verschaft op een geloof zonder twijfels. Waar westerse gelovigen steeds openlijker kunnen shoppen op de vrije markt van godsdiensten en voor het 'beste' geloof kunnen kiezen, wordt voor de nieuwe gelovige het begrip 'heilig' steeds exclusiever en geprivilegieerder.

En tot slot: terwijl de moderne samenleving gericht is op leven en oneindige consumptie, vertonen veel nieuwe gelovigen een enorme obsessie met dood en reinheid. Hoe kun je 'rein' deze wereld verlaten? Hoe kom je zalig aan je einde? Hoe ontkom je aan ketterij en goddeloosheid en hoe blijf je tot het einde trouw aan je geloof?

Existentiële vragen die een antwoord vinden in een strijdbaar geloof. Wat is er mooier dan te vechten voor een zuiver geloof, de gelovige af te scheiden van een onreine wereld en te behoeden voor de corrumperende moderne verlokkingen ten dienste van het gevaarlijke Westen? Voor de meeste moslims kenmerkt de dominante en arrogante Westerse 'beschaving' zich vooral door gebrek aan samenhang en aan waarden en normen, door algeheel verlies aan zingeving en door morele laksheid. Islamisten spelen daar op in.

Dood

Eerst selecteren zij enkele kenmerken van het Westen: seksuele perversie, intolerantie, arrogantie en de wens om de hele wereld – in het bijzonder de islam – te overheersen. Vervolgens gooien ze alles op een hoop en maken er één grote onderneming van die uit is op de vernietiging van de islam. Op die manier worden de ervaringen van veel moslims in het Westen omgedraaid en geradicaliseerd.

Daar komt dan nog de plaatsvervangende vernedering bij. Het lijden van de Palestijnen, Tsjetsjenen, Bosniërs en Irakezen dat de afgelopen twee decennia voortdurend in het nieuws is, heeft de nieuwe aanhangers van de islam ervan overtuigd dat het Westen absoluut op gespannen voet staat met hun religie. Actualiteit speelt hierin een grote rol, de (Arabische) media maken zich tot spreekbuis van de moslimverschoppelingen. Het lijden van deze medegelovigen op duizenden kilometers afstand van New York, Parijs of Hamburg wordt door de jonge moslims daar geprojecteerd op het eigen existentiële onbehagen. De westerse arrogantie wordt een plaag die maar blijft knagen.

De kandidaat-martelaren van Al-Qaeda zijn in het Westen gerekruteerd. Daar zijn zij in de ban geraakt van het martelaarschap en hebben zij het idee ontwikkeld van revanche op het Westen dat niet alleen verdorven is, maar bovendien schuldig aan de vernedering van moslims over de hele wereld. Vervolgens gaan zij op zoek naar terreinen waarop zij de westerlingen kunnen overtreffen. Eén daarvan betreft de dood. In de ogen van de toekomstige martelaren hebben de overvloed en de macht van de westerlingen hun tegenhanger in angst voor de dood en het verlangen naar een eeuwig en zalig leven. De superioriteit van de moslims ligt in hun bereidheid om te sterven voor een heilig ideaal. Terwijl de westerling bang is voor de dood, vanwege het duistere en ondoorschijnende van het onbestemde, kent de moslim die bereid is zijn leven op te offeren juist transparantie.

De door de radicale moslim vurig verlangde Apocalyps is sterk gekoppeld aan de nieuwe vormen van communicatie. Door het onpersoonlijke, het formele, het getalsmatige en het abstracte van die communicatie gaat uiteindelijk het verband met de werkelijkheid verloren en worden relaties van hun menselijkheid ontdaan. De Palestijn die voor zijn land vecht beleeft de tragedie persoonlijk, maar de martelaar van Al-Qaeda die in Europa is opgegroeid, ervaart deze tragedie via de televisie en internet. Zijn van pathos vervuld lijden voedt zich door elektronische beelden. Hij machtigt zichzelf om op te treden voor een fictieve gemeenschap van slachtoffers, zijn neo-oemma. De wortels van zijn martelaarsdaad liggen net zo goed in wereldsteden als New York of Londen en in ultramoderne netwerken, als in de arme voorsteden van Algiers, de overbevolkte woongebieden van Gaza of de vervuilde wijken van Caïro.

Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen eerder in Eutopia 7-2004; www.eutopia.nl.

Farhad Khosrokhavar is Iraniër van geboorte en woont in Parijs waar hij directeur is van de Academie voor Sociale Wetenschappen. Hij is auteur van Les nouveaux martyrs d’Allah (2002) waarvan binnenkort een Engelse vertaling verschijnt onder de titel Suicide Bombers, Allah’s new martyrs (2005). Khosrokhavar deed onderzoek onder moslims die vastzitten voor daden in verband met hun geloof. Gedurende twee jaar heeft hij in drie Franse gevangenissen 160 gevangenen gesproken. In het boek L’Islam dans les prisons (2004) doet hij hier verslag van.

In een lezing zei Khosrokhavar het volgende over zijn onderzoek: “Bij radicalisering speelt slachtofferschap en het gevoel van vernedering vaak een rol, maar dat is niet het enige; juist door in actie te komen worden deze gevoelens overstegen. Heel veel moslims doen dat door hun eigen leven in te richten, door lid te worden van verenigingen, door studie of door een eigen bedrijf op te zetten. Een heel klein aantal radicaliseert.

“De meeste gevangenen die ik heb gesproken behoorden niet tot de klassieke sociale klasse van ‘buitengeslotenen’. De meesten behoren juist tot de middenklasse en zijn ‘multicultureel’ in de zin dat ze meerdere talen beheersen. Dus zij zijn in het geheel niet de monoculturele, afgewezen personen die niet modern genoeg zijn om in een Westerse samenleving te leven. Meestal zijn zij trouwens ook geen personen die zich aansluiten bij moslimverenigingen die in Europa zo gevreesd worden. Aansluiting bij een groep of groepen voorkomt in het algemeen radicalisering. In een groot aantal gevallen zijn de gevangenen wel afkomstig uit Noord-Afrika of Libanon, maar behoren verder niet tot een bepaalde gemeenschap.”

Directeur van de Academie voor Sociale Wetenschappen in Parijs.
Alle artikelen