Nationale identiteit

Een noodzakelijk kwaad

Een nationale identiteit biedt een emotioneel tehuis. Dat benauwt vaak, maar helemaal zonder is erg schraal. Als de Nederlandse elite dit negeert komen we niet verder dan voetbalnationalisme en André Hazes.

Identiteit is maar een glibberig begrip, ‘een kwal op het strand’, vond de historicus Kossmann het. Zijn beroemde vakgenoot Johan Huizinga (1872-1945) vond dat ook al. Met ‘geestesmerk’, het woord dat hij voor ‘identiteit’ muntte – of dacht te munten: Abraham Kuyper bleek hem te zijn voorgegaan – wilde hij maar zeggen “dat de hoedanigheid van een volksaard ten slotte met geen woorden te beschrijven is, dat men het merk moet proeven op de tong” (1935). Je herkent het als je het ziet, zogezegd, maar het omschrijven, preciseren, meten is van een volstrekt andere orde.

‘Volksaard’, ‘geestesmerk’, ‘nationaal karakter’, ‘natiebesef’, ‘identiteit’ – het zijn allemaal verwante, elkaar overlappende, maar vage, enigszins duistere en meestal omstreden begrippen. De betekenis die ‘identiteit’ nu meestal heeft: samenvallen met, onveranderlijke kern, onvervreemdbaar wezen, is uit de nevelen van de Romantiek tot ons gekomen, samen met begrippen als ‘essentie’ en ‘authenticiteit’. Onze domineesverlichting moest al weinig van die zweverige Romantiek hebben: te Duits en duister.

Bataafse mythe

Die domineesverlichting hield zich in de tweede helft van de achttiende eeuw niettemin intensief met vaderland en natie bezig, zoals de historicus Niek van Sas laat zien in zijn recente De metamorfose van Nederland (2004). In een jarenlang debat kruisten orangisten en patriotten, aanhangers van het oude, stadhouderlijke regime en voorstanders van een moderne staat op grondslag van burgerlijke vrijheden en, later, volkssoevereiniteit, de degens over het karakter van de Nederlandse natie.

Het toenmalige debat en de ermee verbonden vaderlandscultus politiseerden de natie en haar veronderstelde ‘karakter’ en gaven haar een prominente plaats in het bewustzijn van de (opkomende) burgerij. Zoals Van Sas schrijft: “In het complex van bindingen en loyaliteiten, het coördinatenstelsel van elk individu, kreeg de natie in de tweede helft van de achttiende eeuw een steeds hogere waarde, hoger vooral dan vorst en religie.” En dan stad of streek, die in het voorafgaande ‘coördinatenstelsel’ nog hoog reikten. Een “algemeen-Nederlands besef”, op zich niet nieuw, werd door deze laat achttiende-eeuwse vaderlandscultus “verbreed en verdiept”.

Van Sas’ behandeling van het Verlichtingsnationalisme maakt duidelijk hoe dit debat uiteindelijk tot redelijke overeenstemming leidde over de grondslagen van de moderne Nederlandse natiestaat – ook tussen de elkaar daarvoor verbeten bestrijdende orangisten en patriotten. Het kosmopolitisme dat het Franse Verlichtingsdenken kenmerkte werd gematigd door de nationalisatie van universele beginselen als kennis, deugd en geluk. Ook slaagde men erin vaderlandslievend burgerschap te verzoenen met de notie van het wereldburgerschap.

De nieuwe consensusopvatting over de eenheid van land en volk kreeg met de stichting van het Koninkrijk ook een passende staatkundige gestalte. De gewestelijke autonomie werd ingeperkt, de gelijkheid voor de wet van alle burgers afgekondigd. Ook joden werden, ondanks aarzelingen bij de ‘echte’ Bataven en de nog krachtige Bataafse mythe, in het nationale plaatje ingepast. De beginselen van de moderne rechtsstaat maakten een inclusief burgerschap en natiebesef mogelijk waarin religieuze of lokale loyaliteiten geen overheersende rol speelden. Na een lange periode van politisering verwierf de natie al rond 1800 een onomstreden, bovenpartijdige status.

Verscheidenheid

Volgens Van Sas heeft dit ongedeelde natiebesef de eeuwen getrotseerd. Zelfs het getouwtrek over Nederlands identiteit tijdens de emancipatiestrijd van de gereformeerde en katholieke volksdelen, ondermijnde de eenheid niet. Terwijl de liberalen politiek-maatschappelijk domineerden en zich opwierpen als de hoeders bij uitstek van de nationale consensus, deden de gereformeerden onder Groen van Prinsterer een poging de natie een calvinistische signatuur te geven. Uiteindelijk namen zij genoegen met soevereiniteit in eigen kring. “De sleutelfiguur in dit veranderingsproces is Abraham Kuyper”, meent VU-historicus Georg Harinck. Kuyper legde de grondslag voor het democratisch pluralisme van de verzuiling door te breken met “de gedachte dat er een uniforme definitie van natie, burgerschap en het publieke domein diende te zijn”.

Van Sas ziet geen noemenswaardige tegenstelling tussen de verzuiling – het arrangement waarmee rivaliserende volksdelen de macht deelden – en de vorming van een vaderlandse identiteit. Zuilenbestel en natiestaat zijn voor hem als twee zijden van dezelfde medaille. De aanvaarding van een ongedeelde, maar pluriforme natiestaat verschafte zoveel common ground dat de verzuiling mogelijk werd. Op haar beurt versterkte het democratisch pluralisme van de verzuiling de fundering van de natiestaat. Binnen een vanzelfsprekend nationaal verband bloeiden de particularistische groepsidentiteiten van de volksdelen.

Na de Tweede Wereldoorlog hekelden vernieuwers van diverse pluimage de Nederlandse hokjesgeest en ijverden voor nationale eenheid, maar zo’n ‘doorbraak’ kwam er niet. Nog een keer zetten de soevereine volksdelen zich schrap tegen het opgeven van hun groepsidentiteiten. Couwenberg roept in dit verband een uitspraak van toenmalig ARP-leider Bruins Slot in herinnering: “Wat ons als Nederlanders bindt, is zuiver negatief van aard, te weten de erkenning van elkaar, ieder in zijn bijzondere eigen aard, en het vinden van een vorm van samenleving die alle ruimte laat voor het beleven van die verscheidenheid en dus afziet van iedere poging haar onder één nationale noemer te brengen.”

Postnationale

De zuilenheerschappij duurde tot midden jaren zestig. Het bestel ontfermde zich over de wederopbouw, voltooide de emancipatie van de volksdelen en bracht, onbedoeld, een volkseenheid tot stand die een juweel van een verzorgingsstaat mogelijk maakte. Eind goed, al goed? Werd na het intermezzo van de verzuiling op grondslag van de verdelende rechtvaardigheid van de verzorgingsstaat een naadloze nationale identiteit hersteld? Nee, want toen in de jaren zestig de oude scheidslijnen verdwenen, brak niet ‘het nationale’, zoals Huizinga het noemde, door, maar drong ‘het postnationale’ zich naar de voorgrond (je zou ook van een regressie naar het ‘prenationale’ kunnen spreken).

De Tweede Wereldoorlog speelde hierin een hoofdrol. Hans Blom, de directeur van het NIOD, heeft de roerige jaren zestig “een verlate en verhevigde reactie” op de oorlog genoemd. De zestigers trokken radicale lessen uit ‘het falen’ van de oorlogsgeneratie. Nationaal gevoel, de natiestaat met zijn potentieel voor nationalistische wanen en uitwassen, waren een onbeheersbaar gevaar gebleken. De natiestaat sluit buiten, daarom is ieder nationaal sentiment of een krachtige nationale identiteit verwerpelijk. Historicus en sixties adept Hans Righart was een exponent van deze richting. Aan de ene kant ontkende hij het bestaan van een nationale identiteit, daarvoor had de verzuiling te veel verdeeldheid gezaaid. Bovendien achtte hij haar een gevaar en nog overbodig ook. Internationalisme en een Europese identiteit wenkten. Na de neergang van de zuilen, waaraan we collectieve identiteiten hadden ontleend, kon Nederland probleemloos opgaan in een verenigd Europa.

Op de relativering van de nationale identiteit door de verzuilde elites volgde aldus haar principiële afwijzing door de postverzuilde elite. In deze wending is overigens moeiteloos historische continuïteit te ontwaren. De Nederlandse identiteit combineert nationale eigenaardigheden met een gooi naar het wereldburgerschap, fuseert particularisme met universalisme, het nationale met het bovennationale. Misschien is dat zelfs haar ‘wezen’. Zodra de nationale identiteit na de verzuiling meer dreigde te worden dan het Koningshuis – als republikein vermeld ik het met nadruk – en een paspoort, verklaarde de postnationale, kosmopolitische voorhoede haar overbodig. We kunnen zonder, ons voorland is niet de natiestaat Nederland, maar een ongedeelde wereld waar een supranationale rechtsorde heerst.

Crisis

Men kan er over twisten of de elite het vaderland met deze vlucht naar voren depolitiseerde of juist politiseerde tegenover een ‘klootjesvolk’ dat er wel waarde aan hechtte. Het elitaire postnationalisme bevatte trouwens zelf allerlei nationale elementen. De hovaardige gidslandgedachte, tolerantie en openheid als nationale deugden, Nederlands’ morele voortreffelijkheid, onbaatzuchtigheid en opofferingsgezindheid en de ‘verworvenheden’ van de jaren zestig. De voorbeeldige verzorgingsstaat natuurlijk, een libertijnse moraal die we in een achterlijke wereld als superieur voorhielden, de spectaculaire neergang van het georganiseerde christendom, narco-chauvinisme, het kampioenschap ontwikkelingshulp. Geen nationale sentimenten alstublieft, maar bij de aanblik van al dit tafelzilver zwol ook de postnationale borst van nationale trots. Zoals de filosoof Peter Sloterdijk opmerkte: ‘het kosmopolitisme is het provincialisme der verwenden’.

In deze context passen ook het cultuurrelativisme en multiculturalisme van de babyboomgeneratie in de omgang met immigranten. Wie een nationale identiteit verwerpt, kan nauwelijks anders dan nieuwkomers hun gang laten gaan. Hier geen laïcité en républicanisme om immigranten mee in te burgeren, geen dwingende taalpolitiek of kordate amerikanisering via de arbeidsmarkt, maar een goedertieren, ‘waardevrije’ verzorgingsstaat, tolerantie grenzend aan onverschilligheid, en, oudergewoonte, soevereiniteit in eigen kring. Waarschijnlijk was de verborgen agenda in deze houding dat immigranten als vanzelf zouden vallen voor de verleiding van onze nationale voortreffelijkheden.

Het afzien van een geprononceerde, gearticuleerde nationale identiteit door de postverzuilde elite heeft in het nieuwe millennium tot een dubbele politieke crisis geleid, met ingrijpende consequenties voor Nederlands zelfbeeld en internationale imago. Eerst het failliet van het multiculturalisme en de opkomst van het populisme, vervolgens een luidkeels ‘nee’ tegen de Europese Grondwet. Op weg naar haar postnationale bestemming verloor de elite het voetvolk. Voor de elite had de natiestaat geen speciale betekenis meer, voor de gewone man is hij, als verzorgingsstaat en vanzelfsprekende cultuurnatie, het gekoesterde vaderland. Wie of wat dit bedreigt, reëel of ingebeeld, moet op krachtige afwijzing rekenen. Politiseerde eind achttiende eeuw de elite het vaderland, aan het begin van de eenentwintigste doet ‘het gemene volk’ dat. De Opstand der Burgers uit 2002 en het nee tegen de Grondwet in 2005 maakten korte metten met een elitaire, postnationale identiteitsontkenning.

Knutselen

Politiek betekenen populisme, antimulticulturalisme en het wegstemmen van de Europese Grondwet dat een renaissance van het nationale noodzakelijk is geworden. Immigratie, Europese integratie, internationalisering en globalisering leiden niet tot de geleidelijke ‘opheffing’ van Nederland – ook niet in de nabije toekomst. Die processen doen de natiestaat niet verdampen, eerder wekken zij het nationale – weer – tot leven. Een vergelijkbare paradox signaleert Van Sas in het vierde kwart van de achttiende eeuw: de universele ambities van de Franse Verlichting dwongen Nederland tot een nationale verwerking daarvan.

‘De’ vaderlandse identiteit kan nog niet naar de schroothoop van de geschiedenis. Nodig zijn wel een nieuwe plaatsbepaling en inhoud: wie zijn wij, waar gaan we naartoe, waaraan moeten nieuwkomers zich aanpassen, hoe moet ons land zich voegen naar een dynamische internationale omgeving? Dezelfde vragen die tijdens de laat achttiende-eeuwse vaderlandscultus aan bod kwamen – en beantwoord werden. Wij weten de antwoorden niet meer en knutselen in arrenmoede aan een nieuwe canon, een voorzichtige, minimale consensus over wie wij zijn en wat we aan volgende generaties willen doorgeven. Onze intellectuele verwaarlozing van het identiteitsbegrip maakt groot onderhoud nu noodzakelijk.

Hazes

Op zijn website trof ik een cri de coeur aan van min6, een 23-jarige student maatschappijleer aan een lerarenopleiding. “Zou het mogelijk zijn”, schrijft hij, “een lied te schrijven waarin de liefde voor ons vaderland naar voren komt, zonder dat het goedkoop en kitscherig is?” “Neen”, zo vervolgt min6 resoluut, “en dat is precies het probleem. Mijn kennis van de geschiedenis schiet tekort om precies uit te kunnen leggen hoe het zo gekomen is, maar vaderlandsliefde is een groot taboe in Nederland. De bescheiden, relativerende burgers die menen dat iemand die van Nederland houdt automatisch een racist is, ze komen mijn strot uit. Tegelijkertijd merk ik dat ik zelf ook met dit virus besmet ben, want ik zou zo een-twee-drie ook geen punt kunnen noemen wat 1. typisch Nederlands is, en 2. waar ik trots op ben. Maar ze zijn er, die dingen. Ik ga me er bewust van worden en ik zal ze één voor één op deze site plaatsen en toelichten.”

Naar wat vanzelfsprekend ‘nationale Nederlanders’ van dit alles vinden, hoeven we overigens niet te gissen. Bijna tot de laatste man/vrouw vinden zij dat nieuwkomers – ‘allochtone mensen’ in het gangbare eufemisme – zich moeten aanpassen, zelfs dat onze cultuur beter is dan de hunne. Waarom zouden die ‘prachtvolkeren’, zoals volksschrijver Reve ooit sardonisch schreef, anders hiernaartoe zijn gekomen? Onderzoek in opdracht van het oer-Nederlandse Reader’s Digest stelde vorig jaar plompverloren vast dat ruim negentig procent van de Nederlanders gewoon trots is op hun nationaliteit. Op de Deltawerken, Sinterklaas en Koninginnedag, onze welvaart, sociale zekerheid, huisvesting, het onderwijs, wegennet en, voor zover ze in grote steden wonen, zelfs het drugsbeleid. En op Bekende Nederlanders als André Hazes. Het is een begin, maar het kan allemaal veel beter.

Tehuis

Als de elite nu Gods water over Gods akker laat vloeien, dan komen we niet verder dan André Hazes, benepen voetbalnationalisme, een vlucht in kleingeestige lokale of regionale identiteiten, of, misschien nog erger, het oppoetsen van etnische en religieuze identiteiten. De politics of identity en hun narcisme van het kleine verschil liggen op de loer. Niet vergeten mag worden dat een nationale identiteit, hoe gebrekkig en aarzelend ook uitgewerkt, thans praktisch de enig overgebleven collectieve identiteit is. Alle andere verdwenen grotendeels met de emancipatie van de oude ‘volksdelen’, het afnemende klassenbewustzijn, ontzuiling en individualisering. Maar ook als zulke particularistische identiteiten herleven, levert hun optelsom geen levensvatbare gezamenlijkheid op als voorwaarde voor een vitale democratie en een minimum aan maatschappelijke solidariteit. Daarvoor is het voegwerk van een volwaardige, intellectueel respectabele nationale identiteit nodig.

Een nationale identiteit dient naast sociale en politieke ook psychologische doelen. Zij biedt een emotioneel tehuis, a sense of belonging. Dat benauwt vaak, maar helemaal zonder is ook weer erg schraal. Ook houdt zij de belofte van historische ‘continuïteit’ in: het leven begint en eindigt niet met jou, of ons, je maakt deel uit van een groter geheel, een mars van lotgenoten en generaties. Zij is ook een nuttig cognitief schema, een manier om complexiteit te reduceren en greep op de sociale werkelijkheid te krijgen. Zonder zulke schemata is de (sociale) werkelijkheid een empirische rijstebrijberg: oeverloos, contourloos, ongestructureerd.

Het identiteitsbegrip sluit daarnaast aan bij alledaagse ervaringen. Het ‘verklaart’, tussen aanhalingstekens dan, waarom wij, ondanks evidente onderlinge verschillen, verdacht veel op elkaar lijken. Zozeer zelfs dat we elkaar in den vreemde onmiddellijk als Nederlanders herkennen. Dat moet ergens door komen. De tegenkant is natuurlijk dat anderen ons ook meteen als Nederlanders herkennen. Identiteit markeert het “verschil met de ander”, zoals Carry van Bruggen schreef, collectief en individueel: ‘ik’ naast of tegenover de anderen; ‘wij’ naast ‘zij’. Zonder zulke begrenzingen is alles amorf.

Symbolen

Een nationale identiteit is bovendien pasmunt in het internationale verkeer, een handzaam label. Misschien geen geestesmerk, wel een merk, geschraagd door de beeldtaal van krachtige iconen, In het geval van Nederland: kaas, tulpen, molens, dijken, fietsen, bier, hasj, hoeren. Het zijn clichés die onze werkelijkheid op genante wijze tekort doen, helaas. Maar wie er niet over beschikt, doet er een moord voor. De sociale waarneming gebruikt nu eenmaal simplistische representaties. Benauwend, maar onmisbaar. Zonder zulke symbolen ben je een nobody op het wereldtoneel, dat in toenemende mate een markt is, waar dan ook de wetten van de markt heersen.

Merken zijn, net als identiteiten, niet statisch; periodiek kunnen zij worden opgefrist, met nieuwe waarden ‘geladen’. Althans, tot op zekere hoogte. Wij construeren onze identiteit dan wel in een onderonsje zonder einde, maar we kunnen haar niet naar believen projecteren. Ook de ‘anderen’ – de overgrote meerderheid van de wereldbevolking dus – gaan over ons zelfbeeld. Dat is daarom zowel een ‘lamp’ als een ‘spiegel’, waarin ‘hun’ beeld van ‘ons’ wordt opgevangen – en opgenomen. De maakbaarheid van onze identiteit, toch al niet onbeperkt, heeft een buitengrens. ‘Wij’ zijn ook wat ‘zij’ in ons zien – en daar hebben we betrekkelijk weinig invloed op.

‘Nationale identiteit’ is dan ook niet wat het pretendeert te zijn. Als zo’n wezen, essentie, harde kern, ‘merk’ echt bestond, zou het zich immers moeiteloos kenbaar maken en hoefde minister Verdonk niet bijna korzelig te zeggen dat we nu eindelijk eens moeten vaststellen wat onze identiteit is. Identiteit is geen ‘gegeven’, maar een sociale, historisch bepaalde constructie, een werkhypothese over onszelf. Dat iets geconstrueerd is, mensenwerk, maakt het overigens niet gekunsteld – ook het sociale bestaat echt. Het houdt wel in dat we er steeds heftig over zullen discussiëren en strijden. Dat is ook wel gebleken. Identiteit is net als de geschiedenis zelf ‘een gesprek zonder eind’. Die achttiende-eeuwers wisten dat, wij moeten er met vallen en opstaan weer achter komen. Het lopende debat zal van ‘nationale identiteit’ niet bij toverslag een ondubbelzinnig begrip maken. Zij bestaat wel en niet – zie Huizinga, blijft glibberig en ongrijpbaar, net als Kossmanns ‘kwal op het strand’.

Literatuur:

- Huizinga, J., Nederland’s geestesmerk. Leiden, 1935.
- Van Sas, N.C.F., De metamorfose van Nederland – Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900. Amsterdam, 2004.
- Woud, A.van der, De Bataafse hut. Denken over het oudste Nederland (1750-1850).
Amsterdam/Antwerpen, 1998.
- Stikkelorum, M., ‘De joodse gelijkberechtiging in de opkomende Nederlandse natiestaat: droom of werkelijkheid in de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’, in: De Achttiende Eeuw 37 (2005) 2.
- Harinck, G., ‘Breekt CDA met pluralistisch model Kuyper?’, in: Zonder geloof geen democratie; Christen Democratische Verkenningen (zomer 2006).
- Couwenberg, S.W., ‘Ons multiculturele enthousiasme’, in: de Volkskrant, 31-02-2002
- Schoo, H.J. ‘Nationaal Nederland’, in: de Volkskrant, 28-05-2005.
- Blom, J.C.H., Burgerlijk en beheerst: Over Nederland in de twintigste eeuw. Amsterdam, 1996.
- Righart, H., Het einde van Nederland? Utrecht, 1992.

1945-2007. Journalist en columnist.
Alle artikelen