Politiek maakt gelukkig

Politieke programma’s zouden niet alleen moeten worden getoetst op hun effecten voor de economie, maar ook op hun geluksclaims, bepleit Halsema. Van Tilburg wil een nog scherpere confrontatie van de gelukswetenschap met de praktische politiek.

Femke Halsema toont visie en lef door geluk in het hart van het politieke debat te plaatsen. Dat biedt volop kansen om tot zinvoller overheidsbeleid te komen. Ze wil niet meer debatteren over wie de economie het hardst doet groeien, maar bij welk programma we ons het gelukkigst voelen. Daarmee brengt ze een discussie naar Nederland die in andere landen al langer woedt. In 2002 was het een denktank van Tony Blair die concludeerde dat de overheid zich met geluk moet bezighouden, simpelweg omdat overheidsbeleid nu eenmaal een belangrijke factor blijkt te zijn voor het geluk van de burgers. Dat is uiteraard geen nieuwe gedachte, maar wel een die pas vrij recent wetenschappelijk is onderbouwd.

Het was de Britse econoom Richard Layard die in 2005 de stand van het onderzoek naar het ‘subjectieve welzijn’ door sociologen, psychologen, economen, hersenwetenschappers en filosofen bijeenbracht. Daarbij kon hij voortbouwen op het werk van de Rotterdamse socioloog Ruut Veenhoven, die veel geluksonderzoek samenbracht in zijn World Database of Happiness. Layard sprak van een nieuw multidisciplinair wetenschapsveld: de Wetenschap van het Geluk. Geluk is niet langer een ongrijpbaar fenomeen, iets waar serieuze wetenschappers de handen niet aan durven branden. De kennis over wat mensen gelukkig en tevreden maakt is sterk toegenomen.

Karikatuur

Helaas dringen de bevindingen van de gelukswetenschappers nog niet of nauwelijks door tot de beleidmakers. Halsema wil daar verandering in brengen en voorspelt dat geluk als doel van politiek handelen zal leiden “tot andere politieke afwegingen.” Een goed getimed en nuttig voorstel, waarbij het wel opvalt dat dit vooral andere afwegingen voor andere politici betreft. Halsema ziet in het geluksonderzoek vooral een bevestiging van wat GroenLinks al langer bepleit.

Nu heeft het GroenLinks-programma ook wel het nodige te bieden. Zo biedt de kortere werkweek meer mensen een kans op de voor hun geluk zo belangrijke baan, terwijl voor anderen ruimte ontstaat voor meer tijd met vrienden en familie. Iets dat veel belangrijker blijkt voor ons geluk dan de lengte van de werkweek. Progressievere belastingen steken een stok in de raderen van de zogenaamde ‘hedonistische tredmolen’; de ‘ratrace’ naar status en geld waarbij al ons harde werk uiteindelijk voor niets is, omdat we ons vooral vergelijken met (eveneens hardwerkende en succesvolle) anderen. Bovendien passen we onze verwachtingen snel aan aan wat we hebben. En blijkt ook nog eens dat we van winst maar kort (en een beetje) genieten, terwijl verlies veel pijn doet.

Positief is ook de directe democratie en zeggenschap die Halsema bepleit. Waarbij Halsema de markt ook weer niet te ver moet willen terugdringen. In de praktijk is het vaak juist de dreiging van vertrek naar de concurrent waardoor serieus naar de klant wordt geluisterd. Niet voor niets zijn de vertegenwoordigers van de patiënten (NPCF) en reizigers (Rover) voorstanders van marktwerking en keuzevrijheid. Ook geven bedrijven vermogens uit aan onderzoek naar de wensen en beleving van hun klanten. Het door Halsema veel aangehaalde beeld van de consument als een eendimensionale koopjesjager, de tegenhanger van de altruïstische burger, kan verhelderend werken, maar ontaardt te vaak in een karikatuur.

Interessant is de worsteling van Halsema met de vraag in hoeverre de overheid een verheffende taak heeft. Hier lijkt het meest sprake van voortschrijdend inzicht in het geluksonderzoek; het drukt ons met de neus op het menselijke tekort. De Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman onderscheidt ‘expected utility’ (hoe gelukkig mensen denken te worden van hun keuze) en ‘experienced utility’ (hoe gelukkig ze er uiteindelijk van worden). Hier blijkt vaak een flink verschil tussen te zitten. Wij maken volop keuzes waar we niet gelukkig van worden. Dat geldt voor de manier waarop we met elkaar omgaan tot de vraag of we wel of niet een huis moeten kopen, gefinancierd met een subprime-hypotheek.

Gelukswetenschappers die zich wagen aan beleidsaanbevelingen komen daarom bijna altijd wel uit op enigerlei vorm van verheffing, educatie en paternalisme. Variërend van gelukslessen, voorlichting over wat ons wel en niet gelukkig maakt, hoe om te gaan met tegenslagen, het bevorderen van waarden als empathie en de wens om anderen te dienen, tot allerhande vormen van consumentenvoorlichting en -bescherming.

Halsema beschrijft een uitgebreid programma om de consument weerbaar te maken tegen commerciele verleiders als kredietverstrekkers. Ook bevat het boek een vlammend pleidooi tot ‘bildung’, de ontwikkeling van moreel oordeelsvermogen en kritisch besef. De school moet opleiden voor het leven, in plaats van enkel voor de arbeidsmarkt.

Ook de schone en mooie leefomgeving van GroenLinks zal positief uitpakken voor ons welzijn. En in deze ‘ontspannen samenleving’ zal tot slot volop ruimte zijn voor wat een van de meest bepalende factoren van ons geluk blijkt te zijn: slaap.

Elk program maakt gelukkig

Halsema claimt het geluk als ‘unique selling point’. Als verkoopster op de hevig concurrerende markt voor politieke macht moet ze dat misschien ook wel doen. Maar het belooft nog een flinke strijd te worden om de gunst van de gelukzoekende kiezer. Afgezien van enkele confessionele partijen, die meer belang hechten aan geluk in een volgend leven, zullen vrijwel alle partijleiders denken dat hun program het gelukkigst stemt. Inclusief VVD-leider Rutte die zijn beginselen samenvat als het geloof dat de overheid de mensen niet gelukkig kan maken (en dus pleit voor een kleine overheid). Ook de electorale concurrenten kunnen daarbij bogen op geluksonderzoek. Het is jammer dat Halsema niet meer deze discussie is aangegaan.

Neem bijvoorbeeld het visiestuk van het Innovatieplatform van onder andere Balkenende en Wijffels uit 2005. Ook daarin is (over 20 jaar): “Geluk (..) naast economische groei een belangrijke graadmeter voor de ontwikkeling van de samenleving.” Maar in die ‘innovatieve samenleving’ draait juist alles om dynamiek, vernieuwing en verbetering. De economie is daarbij voor alles een vrijplaats voor mensen om zich te ontplooien en nieuwe dingen uit te proberen. Zij steunen op onderzoek waaruit blijkt dat mensen juist gelukkig worden van vrijheid, van het aangaan van uitdagingen en het bereiken van doelen. Op onderzoek van Veenhoven (die zelf in 2006 een nauwelijks verholen stemadvies gaf voor D66) dat het geluksniveau ongevoelig is voor de mate van sociale zekerheid, en wel degelijk (een beetje) voor economische groei.

Of neem het boek ´Gross National Happiness´ van Arthur Brooks van het conservatieve American Enterprise Institute. Ook hij vindt dat de overheid zich met geluk bezig moet houden en relativeert het belang van economische groei. Hij zet daar het vieren van succes en hard werken voor in de plaats. Hij komt uit op een programma van het verdedigen van tradities, familieleven en religie. Hij pleit juist niet voor herverdeling van inkomen maar voor gelijke kansen. En ook hier als sluitstuk: de kortste weg naar geluk is een kleine overheid.

De gelukswetenschap belooft geen recept voor een ideale samenleving. Verschillende mensen worden gelukkig van verschillende dingen. Daarbij is vaak sprake van concurrerende wensen. Zo blijkt voor het welbevinden van linkse kiezers werkgelegenheid relatief belangrijk, terwijl rechtse mensen juist gelukkig worden van een lage inflatie. Brave New World-achtige visioenen van gelukstechnocraten, die langs wetenschappelijke weg het ´beste beleid´ uitstippelen, vinden daarom geen basis in het geluksonderzoek. Politici van verschillende partijen zullen claimen dat juist hun program het meeste geluk op zal leveren. Net als zij dat eerder deden ten aanzien van de economie. Dat was de reden om onafhankelijke economen deze claims te laten toetsen in een doorrekening van de programma’s. Net zo zou het goed zijn als de gelukswetenschappers hun licht laten schijnen over de geluksclaims van politici, zoals Halsema bepleit.

Een dergelijke confrontatie van de relatief jonge en zeer heterogene familie van gelukswetenschappers met de politieke praktijk zal zeker tot veel discussie leiden. Niet in het minst binnen de wetenschappelijke wereld zelf. Juist deze confrontatie kan een flinke stimulans betekenen voor dit wetenschapsveld. Het zal bovendien het leervermogen van de politiek voor de inzichten uit het geluksonderzoek vergroten. Een ‘doorrekening’ maakt een goed geïnformeerde discussie mogelijk en reikt de kiezer zo waardevolle informatie aan om zijn keuze op te baseren. En ja, zoals ook Halsema beaamt: de politiek heeft maar een bescheiden invloed op ons geluk. Maar ook dat is geen wezenlijk verschil met onze economie, die vooral meegolft op de internationale conjunctuur.

Daarbij is het voor de politieke discussie interessant om niet alleen te kijken naar ‘het geluk’ van de gemiddelde Nederlander, maar onderscheid te maken tussen groepen burgers en hun tevredenheid over verschillende activiteiten (wonen, werken enz.). Een dergelijke meer specifieke analyse is makkelijker te koppelen aan specifieke beleidsvoorstellen. Krueger en Kahneman hebben hier interessante voorstellen voor geformuleerd.

Formatietafel

Kortom, met ´Geluk!´ geeft Halsema een belangrijke boodschap af: Economische groei is niet hetzelfde als geluk, en gaat er soms zelfs ten koste van. Daarom kunnen we beter direct kijken naar waar we gelukkig van worden. De huidige economische crisis maakt deze discussie alleen maar relevanter. Het wachten is nu op de motie Halsema die de regering oproept tot een geluksdoorrekening van de verschillende programma’s bij de eerstvolgende verkiezingen en de vorming en financiering van het hiervoor noodzakelijke onderzoeksverband van SCP, CPB en de meest betrokken kennisinstellingen.

Maar een beter geïnformeerde kiezer is niet de enige winst. De zich snel ontwikkelende gelukswetenschap biedt volop nieuwe inzichten voor de beleidsmakers zelf, Halsema niet uitgezonderd. Het boek had aan spanning gewonnen als ze daar wat meer ruimte voor had gelaten. Neem tot slot deze: Amerikaanse onderzoekers hebben gevonden dat ons geluk in belangrijke mate afhangt van het regeren van onze favoriete politieke partij. Zou Halsema met die wetenschap eind 2006 wel plaats hebben genomen aan de formatietafel?

Literatuur:

- Rens van Tilburg, ‘Groei van geluk’, De Helling, 2006, nr. 4.
- Brooks, Gross National Happiness, 2008.
- Di Tella, MacCulloch, ‘Partisan Social Happiness’, Review of Economic Studies, 2005.
- Innovatieplatform, NL2027, 2005.
- Kahneman en Krueger, ‘Developments in the measurement of subjective wellbeing’, Journal of Economic Perspectives, 2006.
- Layard, Happiness; lessons from a new science, 2005.
- UK Government Strategy Unit, Life Satisfaction: the state of knowledge and implications for government, 2002
- Veenhoven, 'Het Zwitserleven is het recept voor een depressie', Idee 2006.

Econoom. Directeur van het Sustainable Finance Lab. Redacteur van de Helling.
Alle artikelen