Schaarste van geluk

Kan politiek met geluk uit de voeten?

Geluk rukt op in het economisch onderzoek. Maar hoe meetbaar is geluk en hoe bruikbaar voor politieke besluitvorming? Een rondgang over nut en noodzaak langs toonaangevende Nederlandse economen, met aanhangers en sceptici.

Geluk is in de mode. Tijdens de afgelopen verkiezingscampagnes straalden onze lachende lijsttrekkers van het televisiescherm, in de meest uiteenlopende pretprogramma’s. In de serieuzere media werd ondertussen flink gediscussieerd over wat de kiezer nou écht gelukkig maakt. Directe aanleiding hiervoor was het boek Happiness dat de Britse econoom Richard Layard in 2005 publiceerde en waarvan al snel een Nederlandse vertaling verscheen (Waarom zijn we niet gelukkig?). Op basis van panelonderzoek stelt Layard dat we er in de westerse wereld de afgelopen vijftig jaar gemiddeld niet gelukkiger op zijn geworden, ondanks de enorme toename van de materiële welvaart. Hij pleit voor beleid waarin het geluk van de bevolking uitgangspunt is en niet alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de economische groei.

Richard Layard is verbonden aan de London School of Economics, maar is ook lid van het Britse Hogerhuis, voor Labour. Hij was een belangrijke adviseur van premier Blair, die jaren geleden al zei de kwaliteit van het leven te willen verhogen. “Money isn’t everything.” Tot ingrijpende beleidswijzigingen leidde dat tot op heden nog niet. Tessa Jowell, zijn minister voor Sport, Media en Cultuur, liet in mei 2006 weten dat progressief beleid zich meer moet richten op ‘lol, lachen en spel’. Maar vooral de nieuwe oppositieleider David Cameron baarde dit voorjaar opzien met een toespraak waarin hij beloofde als premier geluk centraal te zullen stellen in plaats van zich op de ‘harde economie’ te focussen. Hij wilde meer aandacht besteden aan het onderwijs, gezins- en werkgelegenheidsbeleid.  

In ons eigen land werd het thema onder meer opgepikt door de econoom Paul de Beer. Op 8 april verscheen er van hem een opiniestuk in NRC Handelsblad waarin hij constateerde dat terwijl politici de economie almaar flexibeler, dynamischer en innovatiever willen maken, veel burgers – waaronder hijzelf –  daar niet zo op zitten te wachten. “Onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Milieu- en Natuurplanbureau, en de internetenquête 21minuten.nl laten zien dat voor de meeste Nederlanders de ideale toekomstige samenleving niet een prestatiemaatschappij met hoge economische groei is. De meerderheid geeft de voorkeur aan een solidaire en egalitaire samenleving, zelfs als dat wat minder economische groei betekent.” Toenmalig minister Brinkhorst van Economische Zaken reageerde een paar dagen later kritisch en hield een hartstochtelijk pleidooi voor dynamiek, want dat maakt ons volgens hem pas écht gelukkig. “Economische groei betekent nieuw vernuft, nieuwe behandelmethoden in de zorg, schonere technologie, nieuwe vormen van entertainment, nieuwe kunstvormen. In een samenleving in beweging krijgen mensen kansen en kunnen zij hun grenzen verleggen.” Layard werd overigens uitgenodigd om een lezing te komen geven op het ministerie van Brinkhorst.

Dilettant

Richard Layard is natuurlijk niet de eerste econoom die pleit voor een ruimer welvaartsbegrip. De dit voorjaar (2006) overleden Amerikaan John Kenneth Galbraith schreef in 1958 The Affluent society waarin hij constateerde dat het economische systeem gefocust was op de productie van materiële goederen, terwijl mensen meer behoefte krijgen aan collectieve goederen als veiligheid en gezondheidszorg zodra in hun basisbehoeften is voorzien. Maar Galbraith werd door veel van zijn vakgenoten gezien als een dilettant. Zijn boek werd een veelgelezen klassieker, maar is nooit echt serieus genomen in de wetenschappelijke wereld.

Bij Happiness van Richard Layard blijkt dat anders te liggen. De Tilburgse hoogleraar economie Lans Bovenberg noemt het “een interessant boek dat goed aansluit bij wat er op het ogenblik in de economische wetenschappelijke wereld aan de hand is”. Hij constateert dat er onder zijn vakgenoten steeds meer belangstelling is voor zowel de psychologie en de sociologie. Niet voor niets werd de Nobelprijs voor Economie in 2002 uitgereikt aan de psycholoog Daniel Kahneman. Bovenberg: “De economie ontwikkelt zich. Het is logisch dat als een wetenschap volwassen wordt er steeds meer empirisch onderzoek wordt gedaan, waardoor het mensbeeld realistischer wordt. In het begin gingen we uit van de ‘homo economicus’, die rationele keuzes maakt, alleen uitgaat van eigenbelang en heel individualistisch is. Uit experimenten blijkt echter dat mensen in hun keuzegedrag sterk beïnvloed worden door bepaalde sociale normen en waarden. Er komt steeds meer aandacht voor de complexiteit van de mens.”

Dit heeft ook gevolgen voor de manier waarop economische groei wordt berekend, stelt Bovenberg. “Steeds meer economen, zoals bijvoorbeeld Guido Tabellini, proberen normen en waarden te meten en in verband te brengen met de manier waarop een samenleving functioneert. Traditioneel ging het bij economische groei vooral om fysiek kapitaal: machines, gebouwen, etc. Later is er in toenemende mate aandacht gekomen voor menselijk kapitaal: scholing, gezondheid. Nu zie je dat er in toenemende mate ook aandacht is voor sociaal en moreel kapitaal, en het milieukapitaal. Economen gaan zich steeds meer bezighouden met factoren die zich traditioneel buiten het traditionele domein van de economische wetenschap bevonden.”

Wedloop

Ook Rick van der Ploeg, hoogleraar aan het Europees Instituut in Florence looft het boek van Layard. “Hij waarschuwt voor een soort concurrentiewedloop waarmee we elkaar ongelukkig maken. Daar zit wel wat in. Met name in Amerika werkt men zich helemaal te pletter. Ik sprak laatst met twee jonge Amerikaanse vrouwen van een jaar of 35, die hebben twee weken per jaar vakantie, that’s it. Iedereen jaagt elkaar op, daar worden we niet gelukkiger van. Ook in Amerika begint dat besef door te dringen. Niet-economisch onderzoek levert voor economen vaak interessante gegevens op over de kleinere dingen van het leven. Mensen blijken bijvoorbeeld erg ongelukkig te worden als anderen het systeem belazeren. Ze hebben er heel veel geld voor over om dat gedrag te corrigeren. Verder blijkt keer op keer – het klinkt wat soft, maar dat is het niet – dat mensen graag in de natuur zijn, naar muziek luisteren, dat de immateriële geneugten van het leven enorm belangrijk zijn. Mensen blijken ook gelukkiger te worden naarmate ze altruïstisch kunnen zijn.”

De Groningse economieprofessor Cees Sterk is net als Van der Ploeg en Bovenberg blij dat het welvaartsbegrip door zijn vakgenoten wordt opgerekt. Maar hij benadrukt dat ook het bruto nationale inkomen (BNP) een belangrijke indicator blijft. “Daarmee meet je lang niet alles, maar wel een heleboel. We werken al jaren met dat begrip. Het is goed voor internationale vergelijkingen, het is een schaalgrootheid waar allerlei dingen op geënt zijn. We kunnen niet zonder. Daarnaast moet je bijvoorbeeld ook kijken naar milieueffecten. Ook de inkomensverdeling is een belangrijke geluksfactor. Welvaart wordt gerelateerd aan wat anderen hebben. Iemand met een minimumloon is nu waarschijnlijk in allerlei opzichten veel beter af dan een rijke edelman in de Middeleeuwen, die dood ging als hij longontsteking kreeg. Toch zijn de minima relatief ongelukkig, want ze zitten onderaan de ladder. We hebben altijd de neiging ons alleen maar met de buren te vergelijken: Keeping up with the Jones. Dit is onder economen al lang bekend, maar het is moeilijk om dat in het nationaal inkomen te verwerken. Je moet niet proberen alles te verwerken in één cijfer, maar meerdere indicatoren bekijken. Het SCP brengt jaarlijks de Armoedemonitor uit, het CBS heeft een aantal ‘speerpunten’ ontwikkeld op het gebied van vergrijzing, integratie en armoede en geeft ook detailinformatie op wijkniveau: allemaal nieuw statistisch materiaal dat verzameld wordt om het beeld van dat nationaal inkomen aan te vullen.”

Links

Het duurt even voordat nieuwe inzichten doorsijpelen naar de economische adviesorganen van de regering. “Er zit duidelijk een hele grote vertraging tussen het moment waarop iets in academische toptijdschriften verschijnt en het moment dat het echt toepasbaar wordt voor het CPB,” aldus Bovenberg. “Voor het milieu is al wel veel aandacht.” De Sociaal Economische Raad (SER), één van de belangrijkste adviescolleges van de regering, waarvan zowel Sterks als Bovenberg plaatsvervangend lid zijn, is de afgelopen jaren duidelijk beïnvloed door de nieuwe tijdsgeest, stelt Sterks. “In rapporten van de SER staat tegenwoordig dat het brede welvaartsbegrip als uitgangspunt wordt genomen. Niet alleen de productie en het nationaal inkomen worden bekeken, er wordt ook rekening gehouden met duurzaamheid. Daar heeft Herman Wijffels, de vorige voorzitter van de SER, een sterke hand in gehad.”

Die nieuwe inzichten hoeven niet noodzakelijkerwijze te leiden tot (groen)linkse keuzes, benadrukt Sterks: “Ook rechtse partijen hebben aandacht voor het milieu of voor de armsten, alleen hebben die een andere visie op de manier waarop je daar iets voor kunt doen. Je moet het je kunnen permitteren om links te zijn. Pas wanneer mensen zelf een bepaald niveau hebben bereikt, hebben ze iets over voor de ander. Economische groei verpest het milieu, maar is anderzijds ook een voorwaarde om er iets aan te kunnen doen. Je moet een balans zien te vinden door selectief te groeien waar het kan en anderzijds veel middelen uit te trekken om negatieve effecten tegen te gaan. Wanneer je niet te rigoureus en bot optreedt, maar wel hoge normen stelt, dan kun je de technische ontwikkeling stimuleren en van de nood een deugd maken. Dat is Denemarken bijvoorbeeld heel goed gelukt bij de windturbine-technologie. Hadden wij iets meer nadruk op het milieu en windenergie gelegd, dan had Nederland daar eerder mee kunnen zijn en het tot een belangrijk Nederlands exportproduct kunnen maken.”

Ook Bovenberg ontkent dat een minder materialistisch welvaartsbegrip bepaalde partijen in de kaart speelt. “Langer werken kun je propageren om meer te kunnen consumeren, maar ook omdat het voor het geluksgevoel belangrijk is om onze talenten in te kunnen zetten. Daarnaast houdt werken de sociale cohesie in de samenleving op peil. En als het over duurzaamheid gaat, is niet alleen het milieu, maar ook het financieringstekort van belang. Je moet toekomstige generaties niet opzadelen met hoge rentelasten. Bovendien, wanneer de overheid niet over voldoende buffers beschikt zijn bij tegenslag de zwakkeren als eerste de dupe. Economen zijn de profeten van de schaarste: ze confronteren mensen met het feit dat we niet alles kunnen hebben.”

Huwelijk

Zowel Bovenberg, Van der Ploeg als Sterks noemen Bernard van Praag, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, als dé pionier op het gebied van het meten van geluk. In 1971 verscheen zijn eerste empirische artikel hierover. “Je werd door velen voor gek verklaard als je over geluk publiceerde. Afgezien van enkele medestanders – waaronder Jan Tinbergen – waren economen er sinds het midden van de jaren ’30 heilig van overtuigd dat dit soort zaken niet meetbaar was. Het dogma dat je subjectieve gevoelens niet kunt meten heeft de voortgang van de economische wetenschap op dit gebied vijftig jaar geblokkeerd.”

Van Praag is er van overtuigd dat gevoelens als geluk wel degelijk goed meetbaar zijn. “Het is heel simpel: je vraagt hoe tevreden mensen zijn met bijvoorbeeld hun baan, hun financiële situatie, hun huwelijk. Dat moeten ze dan aangeven op een cijferschaal. In heel veel landen worden dat soort vragen gesteld. In gelijke situaties blijken respondenten ongeveer dezelfde antwoorden te geven. Met moderne methodes blijkt ook heel aardig te onderzoeken wat de determinanten zijn van satisfactiegevoelens. Het zal nooit een exacte wetenschap worden zoals de natuurkunde, maar bepaalde trends, bepaalde effecten kunnen zeer goed gemeten worden.”

Van Praag constateert dat met de huidige hausse aan geluksonderzoek een heleboel dingen ‘herontdekt’ worden. Hij geeft twee voorbeelden: “Als je iemand meer inkomen geeft, dan zal hij een gat in de lucht springen, maar na een tijdje is hij eraan gewend. Ik heb dat in 1971 preference drift genoemd. Dat is toen ook gekwantificeerd en het bleek een algemeen verschijnsel te zijn. Daarnaast is er de reference drift: als mensen om je heen tegelijk óók in inkomen omhoog gaan, dan is de vreugde over de eigen verbetering kleiner. Arie Kapteyn en ik hebben dat voor het eerst empirisch geschat. Als je die twee effecten bij elkaar optelt, dan zie je dat mensen er praktisch niet op vooruit gaan door een loonsverhoging of door economische groei.”

Sceptisch

Er zijn economen die sceptisch staan tegenover het meten van geluk. Arthur Schram bijvoorbeeld, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in de experimentele economie, een tak van wetenschap waarin het economische gedrag van mensen wordt bestudeerd. “Ik zie het niet zo ver komen dat het CPB gaat zeggen: ‘de geluksindex wordt volgend jaar geschat op 8,4’. Het gevaar is dat je dingen teveel gaat simplificeren. Daarom denk ik dat het geluksonderzoek hoogstens op de achtergrond een rol zal spelen.” Dat geldt ook voor zijn eigen vakgebied. “Door de experimentele economie zijn we veel te weten gekomen over menselijke preferenties, bijvoorbeeld dat we over het algemeen niet alleen op onze eigen welvaart gericht zijn, maar ook op welvaartscombinaties met andere mensen. Daar doet de politiek niks mee.”

Eveneens kritisch is Arnold Heertje, emeritus hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. “We slingeren van het ene uiterste naar het andere. Jarenlang ging het alleen nog maar over het financiële en bedrijfseconomische. Nu slaan we weer door naar de andere kant en gaan sommigen de indruk wekken dat economie de wetenschap van het geluk is. Dat is mij een brug te ver. Ik ben een leerling van de econoom Pieter Hennipman. Die droeg al vanaf de tweede helft van de jaren ’30 uit dat het nationaal product maar een hele ruwe en beperkte aanduiding is van welvaart in ruime zin. Dat weten we dus allang. Maar je moet niet de illusie hebben dat je geluk kunt meten.”

In zijn onlangs verschenen boek Echte Economie gaat Heertje uitgebreid in op het aan Hennipman ontleende en door hemzelf verder ontwikkelde ruime welvaartsbegrip. Enerzijds vindt hij dat zijn vakgenoten zich bij hun leest moeten houden. “Als econoom kun je alleen iets zinnigs zeggen over geluk wanneer het te maken heeft met schaarse middelen. Huwelijksgeluk, liefde, vriendschap, dat is iets voor psychologen.” Anderzijds bekritiseert hij de neiging van zijn vakgenoten om zich monomaan te focussen op het financiële, waardoor ze hun welvaartsbegrip teveel inperken. “Er wordt bijvoorbeeld een schizofrene splitsing aangebracht tussen economie en milieu. Wanneer men bomen wil kappen voor een wegverbreding, dan kun je niet zeggen dat die bomen buiten de economie vallen en de weg er binnen. Die wegverbreding gaat files tegen, maar bomen voorzien óók in een behoefte. Gemakshalve laat men dat wat niet meetbaar is buiten beschouwing. Dat is desastreus voor de besluitvorming. Men heeft niet het vermogen om dit soort vraagstukken op een heldere en consistente manier aan de orde te stellen. Ik noem dat een intellectueel tekort.”

Sylvester Hoogmoed is journalist.
Alle artikelen