Scheiding van moskee en Franse staat

Laïcité, 100 jaar na invoering ter discussie

Door de rellen in de banlieues staat het Franse integratiebeleid ter discussie, inclusief de strikte scheiding van kerk en staat. Deze laïcité werd precies honderd jaar geleden in een wet vastgelegd. Toen bedoeld om de macht van de katholieke kerk in te dammen, nu belemmert het volgens sommigen de ontwikkeling van een ‘Franse’ islam en daarmee de integratie.

Charles de Gaulle had het over de ‘verdwazing’ die Fransen zo nu en dan overvalt. Eens in de zoveel tijd trekken ze en masse de straat op en steken de symbolen van de gevestigde orde in de fik, of het nu de Bastille is of de auto van de buurman. Dat deden ze in 1789, 1830, 1871, 1968… enfin, de lijst is lang. Past het zwoele najaar van 2005 in dit rijtje? Zijn de ongeregeldheden in de banlieues een aanwijzing dat de vele (nakomelingen van) immigranten die daar wonen zich voorbeeldig hebben aangepast aan ’s lands folklore? De wijze waarop in november jongstleden plotseling de vlam in de pan sloeg past binnen de beste Franse tradities, zou je bijna zeggen.

Alleen waren er dit keer geen demonstraties of openbare discussiebijeenkomsten met vurige debatten; de opstand beperkte zich voornamelijk tot het stiekem in brand steken van auto’s. De fikkiestokers wekken niet de indruk dat ze gedreven worden door enig gedachtegoed. Wel zijn er de afgelopen jaren regelmatig berichten geweest over brute onderdrukking en gewelddadigheden tegenover vrouwen, waarbij de daders zich beriepen op de Koran. Maar het lijkt toch vooral te gaan om gefrustreerde jongemannen met een migrantenafkomst, die nogal eens worden geconfronteerd met discriminatie en al snel op het verkeerde pad raken in hun deprimerende betonnen banlieues. De politie bestaat er uit jonge, onervaren en onderbetaalde gendarmes, die zich niet zelden te buiten gaan aan mishandelingen en racistische uitlatingen. La douce France is hier wel heel erg ver weg. Ook qua reistijd: de verbindingen tussen de voorsteden en het centrum van het door stadsmuurachtige randwegen omcirkelde Parijs zijn slecht.

Al eerder waren er in 1981, 1990 en 1994 grootschalige geweldsuitbarstingen. In reactie daarop is er telkens flink in de banlieues geïnvesteerd: flatgebouwen werden opgeknapt en soms afgebroken, er kwamen werkgelegenheidsprojecten en sociaal-culturele centra. Tot structurele verbeteringen van de leefsituatie heeft dat echter niet geleid.

Laïcité

Menigeen ziet in de recente rellen het bewijs dat ‘het Franse integratiemodel’ niet werkt. Waar Nederland vanouds de verzuiling en het multiculturalisme koesterde, zweerde Frankrijk bij het republikeinse ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. In het openbare leven is geen ruimte voor andere identiteiten dan de Franse. Zelfs vakbonden of politieke partijen zijn er veel minder hecht georganiseerd dan in Nederland. Er is nauwelijks sprake van een maatschappelijk middenveld tussen enerzijds de overheid en anderzijds de individuele burger.

Van immigranten wordt verwacht dat ze zo snel mogelijk volwaardige Fransen worden,  ongeacht hun persoonlijke achtergrond of levensovertuiging. In feite verschilt het Franse systeem niet zoveel van de smeltkroes in de Verenigde Staten. Er zijn echter twee belangrijke verschillen. Ten eerste is de Franse overheid traditioneel veel bemoeizuchtiger dan die in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Ten tweede is in God’s own country het christelijke geloof onverbrekelijk met de natie verbonden, terwijl men in Frankrijk uiterst argwanend staat tegenover iedere band tussen geloof en overheid. De strikte scheiding die er bestaat tussen kerk en staat, wordt aangeduid met het begrip laïcité (lekendom).

In december 2005 is het een eeuw geleden dat de wet waarin die scheiding formeel werd vastgelegd, werd aangenomen. Daarmee kwam er een einde aan de politieke strijd tussen aanhangers van het door de katholieke kerk gedomineerde Ancien régime en de voorstanders van een seculiere republiek op basis van de verlichtingsidealen van de Franse Revolutie. Men ontdeed klaslokalen en rechtszalen van kruizen, de diplomatieke betrekkingen met de Heilige Stoel werden verbroken en veel gemeenten verboden zelfs het gebeier van de kerkklokken.

Revolutie

Volgens sommigen wortelt de laïcité diep in de Franse geschiedenis. Ze wijzen op de onderwerping van de Franse bisschoppen aan de kroon in de Middeleeuwen. Ook was er het Edict van Nantes (1598) waarmee Frankrijk als eerste Europese land het protestantisme toestond, al werd dit in 1685 herroepen, waarna de protestante Hugenoten op grote schaal het land ontvluchtten. De oorsprong van de laïcité kan ook gezocht worden in de rationalistische idealen van de Verlichting en de Revolutie van 1789. De ontkerstening in die periode was echter vaak dermate fanatiek dat je nauwelijks van een inzake religie neutrale staat kon spreken, terwijl het daar nu juist bij de laïcité om draait, al wordt het nogal eens verward met antiklerikalisme.

De directe aanleiding voor de wet uit 1905 was de strijd tussen de twee ‘Frankrijken’, die plaatsvond sinds de koninklijke Bourbonfamilie in 1815 was teruggekeerd op de troon. Het land werd verscheurd door een conflict tussen aan de ene kant conservatieve katholieke monarchisten en aan de andere kant een coalitie van republikeinen, socialisten, vrijmetselaars, joden en protestanten. Tegen het einde van de negentiende eeuw laaide de strijd op, onder meer door de Dreyfus-affaire die het wijdverbreide antisemitisme binnen de Franse overheid aan het licht bracht. Een joodse officier was onterecht beschuldigd van spionage en werd levenslang verbannen. Nadat de schrijver Emile Zola het in een open brief voor hem had opgenomen, stonden de twee Frankrijken in deze kwestie lijnrecht tegenover elkaar.

De strikte scheiding tussen kerk en staat, die in 1905 bij wet werd vastgelegd, kan worden gezien als een pragmatische poging om te voorkomen dat religieuze strijd in de toekomst opnieuw het politieke toneel zou gaan beheersen. Met minstens evenveel recht kan echter worden gesteld dat het simpelweg de bezegeling betekende van de overwinning van het ene (anti-katholieke) Frankrijk op het andere. Dat verklaart de felheid waarmee de kerk werd aangepakt. Zo werden vele bezittingen van de kerk door de staat geconfisqueerd. En het merendeel van de katholieke scholen werd gesloten en veel congregaties, die voorheen in veel plaatsen het lager onderwijs hadden verzorgd, werden verboden. Foto’s waarop politiemannen kerkdeuren inbeuken en geestelijken uit hun kloosters wegleiden, versterken de indruk van een oorlogssituatie.

Catholaïcité

Socioloog en historicus Jean Baubérot, dé expert op het gebied van de laïcité, relativeert het belang van zijn studieobject enigszins. In de praktijk is de scheiding tussen kerk en staat in Frankrijk niet zoveel strikter dan in andere Westerse landen, schrijft hij in zijn boek Laïcité 1905-2005: Entre passion et raison. Ook merkt hij op dat de kerk ironisch genoeg voordeel had bij de nationalisering van kerkgebouwen, aangezien de gemeenten daardoor verantwoordelijk werden voor de kosten van het onderhoud en de restauratie ervan, terwijl ze voor kerkdiensten gebruikt mochten blijven worden. Ondertussen bleef er in de koloniën een hecht verbond bestaan tussen ‘Marianne en Maria’. De missie werd over het algemeen gezien als een prima manier om de Franse beschaving over de wereld te verspreiden.

Baubérot waarschuwt dat het systeem van laïcité in de praktijk nogal eens negatief uitwerkt voor kleinere geloofsgemeenschappen. Enerzijds verwacht men van bijvoorbeeld joden en moslims dat ze hun geloof in de privé-sfeer beleven, anderzijds worden zij geacht zich te voegen naar de dominante normen in de Franse samenleving, die bepaald worden door de (katholieke) meerderheid van de bevolking. De laïcité lijkt soms verdacht veel op een alternatieve staatsgodsdienst met katholieke trekjes, door Baubérot spottend Catholaïcité genoemd.

Met name rechtse regeringen hebben het de afgelopen vijftien jaar niet altijd even nauw genomen met de regels van de laïcité wanneer het de katholieke kerk betrof. Zo wilde de regering-Balladur in 1994 de (hoofdzakelijk rooms-katholieke) privé-scholen gaan subsidiëren. Pas na veel protesten, demonstraties en een uitspraak van het Constitutionele Hof zag de regering hiervan af. Het door de overheid gefinancierde openbaar onderwijs blijft het paradepaardje van de laïcité. In 1996 betaalde de staat fors mee aan een bezoek van de paus aan Reims waar herdacht werd dat de eerste Frankische koning Clovis zich hier 1500 jaar eerder had laten dopen. Een jaar eerder had president Chirac tijdens een staatsbezoek aan Vaticaanstad naar Frankrijk verwezen als de oudste dochter van de Moederkerk.

Hoofddoeken

In 2002 besloot de president om een commissie in te stellen die zich moest gaan buigen over de hedendaagse betekenis van de laïcité. Directe aanleiding was de toenemende maatschappelijke discussie over het dragen van hoofddoeken op scholen en in overheidsinstellingen. Onder leiding van de Franse ombudsman Bernard Stasi toog deze commissie aan het werk. Er kwam een reeks hoorzittingen met (ervarings)deskundigen, waaronder jonge vrouwen uit de banlieues die getuigden van de druk waaraan zij blootstaan wanneer ze geen hoofddoek dragen. Een van hen was Fadela Amara, voorzitster van de emancipatiebeweging Ni putes, ni soumises (noch hoeren, noch onderworpenen).

Eind 2003 publiceerde de commissie-Stasi haar eindrapport, waarin het belang van de laïcité benadrukt werd: “De onkerkelijke staat, die garant staat voor de gewetensvrijheid en de vrijheid van geloof en van meningsuiting, beschermt het individu; staat iedereen toe om al dan niet een geestelijke of religieuze keuze te doen, van keuze te veranderen of ervan af te zien; zorgt ervoor dat geen enkele groep, geen enkele gemeenschap aan wie dan ook, met name met het oog op zijn oorsprong, een confessioneel lidmaatschap of identiteit kan opleggen. Deze eis betreft allereerst de school. De leerlingen moeten, om tot een zelfstandig oordeel te komen, leren en zich ontwikkelen in een klimaat van geestelijke rust.” Er werd gepleit voor een verbod op het dragen van “opzichtige religieuze tekenen” in scholen en overheidsinstellingen, zoals een groot kruis, een keppeltje of een sluier. Daarnaast pleitte de commissie onder meer voor godsdienstonderwijs op openbare scholen en het vervangen van twee christelijke vrije dagen door een joodse en een islamitische feestdag.

Deze laatste aanbeveling besloot de president niet over te nemen, de meeste andere wel. Zo kwam er godsdienstonderwijs en ook een wet tegen het dragen van ‘opzichtige’ religieuze tekens. Na felle discussies werd deze begin 2004 door een grote parlementaire meerderheid aangenomen. Jean Baubérot, die deel uitmaakte van de commissie-Stasi, was tegen het verbod. Ook de Franse minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy, was er niet gelukkig mee. Hij vreesde dat de wet door veel moslims als een vernederende provocatie zou worden ervaren.

Strijd

In zijn vorig jaar verschenen boek La République, les Religions, l’Espérance stelt Sarkozy dat het hoofddoekjesverbod niet in overeenstemming is met de achterliggende doelstelling van de laïcité: voorkomen dat religie onderwerp wordt van politieke strijd, zoals in de negentiende eeuw gebeurde. In 1905 was het om die reden nodig de invloed van de machtige (katholieke) kerk aan banden te leggen. Een eeuw later is het volgens Sarkozy echter om dezelfde reden juist zaak dat de staat gematigde moslims ondersteunt. Bijvoorbeeld door indirect de bouw van moskeeën te helpen financieren en zo te voorkomen dat fundamentalistische geldschieters dat doen, of dat moslims noodgedwongen in garages en kelders bijeenkomen en daar radicaliseren. Ook zette hij zich in voor het opzetten van een imamopleiding en sprak zich uit voor positieve discriminatie om moslims meer rolmodellen te geven.

Daarnaast wist de minister eind 2002 de belangrijkste islamitische belangenorganisaties te bundelen in één overkoepelend orgaan, de CFCM, dat voortaan als aanspreekpunt kon dienen voor de regering. Er kwam veel kritiek op deze moslimraad. Er zou onderling teveel gebakkeleid worden over procedures en fundamentalistische moslims maakten er naar verluid teveel de dienst uit. Maar toen in september 2004 twee Franse journalisten in Irak gegijzeld werden, kweekte de raad de nodige goodwill. De gijzeling was bedoeld als protest tegen het hoofddoekjesverbod op Franse scholen. De raad sprak zich duidelijk tegen deze actie uit en riep op om de wet te respecteren, waarna de gevreesde spanningen rond de invoering ervan uitbleven. De rellen in de banlieues werden het afgelopen najaar ondubbelzinnig door de belangrijkste moslimorganisaties veroordeeld.

Explosief

Hoewel Sarkozy geen tegenstander is van de laïcité voorziet hij grote problemen wanneer de overheid daar te krampachtig aan vasthoudt en zich daardoor onvoldoende bekommert om de naar schatting vijf miljoen moslims die in Frankrijk leven. Sarkozy: “Er is een antiklerikale kern in onze samenleving. Als dit antiklerikalisme kan samengaan met een vorm van anti-moslim racisme, dan worden we geconfronteerd met een explosief mengsel.” Tegelijkertijd hoopt hij dat het (islamitische) geloof kan voorkomen dat jongeren in de banlieues volkomen losgeslagen raken en de maatschappij de rug toekeren. “Wat is een gelovige anders dan iemand die hoopt? In de collectieve dynamiek van een samenleving kan dat een perspectief bieden op mobilisatie voor het gemeenschappelijke goed en richting geven aan het leven.”

Zijn betrokkenheid bij de banlieues koppelt Sarkozy, die over twee jaar president Chirac wil opvolgen en stemmen hoopt weg te kapen bij het machtige Front National van Jean-Marie le Pen, aan een rigoureus law and order-beleid. Onder zijn ministerschap zijn de bevoegdheden van de politie uitgebreid, is er meer blauw op straat gekomen en wordt drugsgebruik harder aangepakt, ook als het gaat om cannabis. Wanneer het weer eens flink mis is in de banlieues komt Sarkozy niet zelden hoogstpersoonlijk naar de plaats des onheils, om zijn medeleven te betonen met de bewoners, maar ook om de groep jongeren die er het leefklimaat bederft de mantel uit te vegen. Toen hij in november het woord racaille (rapalje) in de mond nam, werd hem verweten olie op het vuur te hebben gegooid, maar hij weigerde het terug te nemen. De noodtoestand werd uitgeroepen en een aantal relschoppers is zonder pardon het land uitgezet.

Islamitisering

Kunnen we in Nederland met het oog op onze integratieproblemen iets leren van de Franse opstelling tegenover religie en de islam in het bijzonder? Volgens de socioloog Laurent Chambon, die opgroeide in een van de voorsteden van Parijs, maar al jarenlang in Nederland woont, wel. Hij is niet blij met het optreden van Sarkozy. “Die probeert de problemen te islamitiseren. Maar wat nu in de voorsteden is gebeurd, heeft niets te maken met de islam. In de kern gaat het om een economisch probleem: het gebrek aan sociale mobiliteit. Wie arm is geboren, blijft dat meestal ook. Dat Sarkozy nu de imams heeft gevraagd om daarover iets te zeggen vind ik een grote fout.” Chambon, die promoveerde op onderzoek naar de toegankelijkheid van de politieke macht voor minderheden in Frankrijk en Nederland, verdedigt het Franse systeem van de laïcité. Volgens hem zijn de (nakomelingen van) immigranten in Frankrijk over het algemeen beter geïntegreerd dan in Nederland. Minister Sarkozy is één van hen, zijn vader was een Hongaar. “Bijna iedereen gaat naar hetzelfde soort scholen. Daardoor ontwikkelen jongeren geen sterk afwijkende identiteit; ze voelen zich Frans, ook al zijn ze misschien van Algerijnse of Noord-Afrikaanse afkomst. Ze hebben Franse vrienden – van alle kleuren – het is allemaal veel minder etnisch bepaald dan in Nederland. Het probleem is alleen dat een deel van de Franse samenleving, in de eerste plaats de politici en de politie, ze niet als zodanig behandelt.”

Over het multiculturalisme zoals dat in Nederland tot de moord op Fortuyn door veel politici werd omarmd, is Chambon niet erg te spreken. “De vrijheid om je eigen cultuur te behouden is belangrijk. Ik ben een Fransman en dat zal ik waarschijnlijk mijn hele leven lang blijven. Maar het multiculturalisme in Nederland betekende soevereiniteit in eigen kring, in ruil voor sociale rust. Dat is een soort apartheid. Mensen werden gevangenen van hun gemeenschap, ze kregen niet de gelegenheid om Nederlanders te worden. Er bestaat hier een collectieve vrijheid, geen individuele en integratie is vooral een individualistisch proces.”

Debat

Ondanks de laïcité in zijn geboorteland heeft het debat over de islam volgens Chambon een hoger niveau dan in Nederland. “Wanneer een land een ander kolonialiseert, wordt het op cultureel niveau ‘teruggekoloniseerd’. Dat is gebeurd met Frankrijk, zodat we nu veel kennis hebben over de islam en de Arabische wereld. In Nederland is dat veel minder het geval, waardoor mensen er veel kritischer tegenover staan. Indonesië was weliswaar een Nederlandse kolonie, maar Nederlanders hebben zich nooit zo bemoeid met de Indonesische cultuur, zoals de Fransen dat wel deden met hun koloniën.”

Complicerende factor bij het integratieproces in ons land is volgens de socioloog dat niet duidelijk is hoe mensen Nederlander kunnen worden. “Dat is een groot verschil met Frankrijk. Daar heeft altijd een debat plaatsgevonden over wat het is om Frans te zijn. Het antwoord is: Frans spreken en deelnemen aan een soort collectief avontuur. Wie lang genoeg in Frankrijk woont en de taal goed spreekt, wordt gezien als Frans. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor iemand als Vincent van Gogh. In Nederland heeft zo’n debat nooit plaatsgevonden, waardoor niemand precies weet op welke condities je Nederlander kunt worden. Nu moeten inburgeraars ineens precies de geschiedenis van het land kennen, terwijl Nederlanders daar zelf vaak niets van afweten! Ik weet niet eens zeker of het wel mogelijk is om Nederlander te worden. Misschien op papier, maar niet in het hart. Dat vind ik problematisch. Daarop loopt het denk ik fout, de komende jaren.”

Sylvester Hoogmoed is journalist.
Alle artikelen