Van oude bomen en dingen die voorbij gaan

Conservatisme in de milieubeweging

'Groen' gaat in de politiek vaak samen met 'progressief'. Toch zijn veel natuurliefhebbers als het erop aankomt nogal behoudzuchtig. Bijvoorbeeld wanneer er bomen dreigen te worden gekapt, zelfs wanneer dat is om plaats te maken voor een gevarieerdere begroeiing. Vooruitstrevende ecologen wijten dit soort conservatisme al snel aan kortzichtigheid. Hoe staat het met het evenwicht tussen vernieuwing en behoudzucht in de Nederlandse natuur?

In een van zijn verhalen schrijft Bob den Uyl waarderend over een tuin die precies in de juiste mate is verwaarloosd. Dat is eigenlijk wel een mooie definitie van wat in Nederland doorgaans 'natuur' wordt genoemd: betrekkelijk kleine terreinen, die aan menselijk ingrijpen hun ontstaan danken (ons laatste stukje oerbos is in de negentiende eeuw gekapt), maar toch lang genoeg met rust zijn gelaten om een rustieke, weldadig verwilderde indruk te maken. Die natuurgebieden lopen in ons keurig aangeharkte landje permanent gevaar. In toenemende mate penetreren woningen, bedrijventerreinen, autowegen, vakantieparken en uitgestrekte golfterreinen het ongerepte groen. En soms zijn het de bulldozers, draglines en motorzagen van natuurbeheerders die de rust verstoren. Met name Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer hebben het de laatste jaren nogal eens aan de stok met recreanten die vinden dat hun favoriete stukje groen op een wel erg ingrijpende manier wordt 'beheerd'. En dan gaat het niet om alle informatiebordjes, picknicktafels of bruggetjes waarmee de natuur wordt opgeleukt, maar om het kappen van grote percelen bos.

Bij Velp op de Veluwe ontstond eerder dit jaar bijvoorbeeld ophef toen Natuurmonumenten – met instemming van een GroenLinks-wethouder – zeventien hectare bos kapte, om een dichtgegroeide zandverstuiving weer in oude luister te herstellen. Of neem de Bisonbaai in de uiterwaarden van de Waal vlakbij Nijmegen. Een ruig stukje groen rond een meertje. Voor ecologen is het ongetwijfeld niet het meest interessante stukje Nederland, maar natuurliefhebbers van het meer indolente soort genieten er in grote getale van de rust, het ruizen van de oude, hoge populieren en het koele, relatief schone water. In september 2006 waren er ineens motorzagen te horen. De beheerder van het gebied, Staatsbosbeheer, had beslist dat een groot deel van de bomen tegen de vlakte moest, omdat ze te oud waren en daarmee een veiligheidsrisico opleverden voor wandelaars. Bovendien ging het om aangeplante Canadese populieren, die hier om die reden niet zouden thuishoren. Er werd onmiddellijk een actiegroep opgericht, in een vergeefse poging de kapwerkzaamheden tegen te houden; de Nijmeegse gemeenteraadsfractie van GroenLinks kwam in het geweer, de SP stelde zelfs Kamervragen over de zaak.

Alex de Meijer, de Nijmeegse contactpersoon van de Bomenstichting en Milieudefensie, sloot zich niet bij het protest aan. De Meijer: "De dramatische verhalen van sommige actievoerders vond ik flauwekul. Vanuit het oogpunt van natuurontwikkeling in de uiterwaarden was ik geen tegenstander van het rooien daar. Die populieren stonden voor een hele gordel spontaan gegroeide en al behoorlijk grote wilgen. Ik heb veel contact met natuurorganisaties hier in de omgeving en die waren allemaal voor het rooien van die bomen. Daar zitten veel mensen met ecologische kennis, die zeggen: laat de boel lekker oorspronkelijke natuur worden, daar horen die populieren niet in thuis."

De Meijer kent meer recente voorbeelden van protest tegen de kap van bomen die ruimte moeten maken voor een meer gevarieerdere en ‘natuurlijkere’ vegetatie, met bijvoorbeeld heide of bosanemonen. Ook het oude weidelandschap met z'n vriendelijke koeien moet her en der plaatsmaken voor wildere vormen van natuur.

Salamanders

Kunnen medewerkers van natuurorganisaties – veelal biologen en ecologen – niet wat meer rekening houden met het behoudzuchtige type groenliefhebber, dat misschien nauwelijks een mus van een merel kan onderscheiden, maar wel graag af en toe wat boslucht opsnuift en nostalgisch wegdroomt in het zo vertrouwde Nederlandse landschap? Frans Vera, als landschapsecoloog verbonden aan Staatsbosbeheer, heeft daar zijn bedenkingen bij. "Als je iedereen steeds gaat vragen wat we moeten doen, komen we niet veel verder; mensen zullen altijd conservatief kiezen." Hij wijst op onderzoek van de econoom en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman, waaruit blijkt dat mensen verlies veel zwaarder wegen dan waardestijgingen. Dat geldt ook voor veel natuurliefhebbers. "Zodra je gaat praten over verandering in het landschap waarin mensen zijn grootgebracht, gaat dat verliesmijdende gedrag een rol spelen, want mensen weten wat ze hebben, niet wat ze krijgen." Wanneer je daaraan toegeeft, gaat de natuur op den duur steeds verder achteruit, vreest Vera. "Je definieert als natuur wat je kent uit je jeugd; voor mij was dat een slootje in Amsterdam, waar ik salamanders ging vangen. Tijdens het leven van iedere generatie verdwijnen er planten- en diersoorten, met name als gevolg van ontwikkelingen in de landbouw. De volgende generatie definieert het restant tot natuur. Het resultaat is een voortdurende verlaging van de standaard voor wat natuur is; het is een continu proces van normvervaging."

Om het tij te keren werd Vera een grote promotor van natuurontwikkeling. "In Nederland was de essentie van natuurbescherming heel lang: iets is mooi, laten we zorgen dat het zo blijft. Dat ging dan, met uitzondering van de Waddenzee, altijd om cultuurlandschappen. Wanneer je een Afrikaan hier in een weiland zet en zegt 'Dit is onze natuur', zal hij misschien nog net niet in lachen uitbarsten, uit beleefdheid. Het kan niet zo zijn dat we ons beperken tot het stoppen van verdere achteruitgang. Als wij mensen in Bangladesh aanspreken op het behoud van hun tijgers, of vinden dat Indiërs moeten samenleven met olifanten, dan mogen we bij onszelf ook wel wat meer doen dan alleen beschermen wat er toevallig over is gebleven." Mede dankzij Vera zijn de afgelopen vijftien jaar in Nederland natuurontwikkelingsprojecten tot stand gekomen, stukjes wildernis met een relatief weelderige biodiversiteit. Bekendste voorbeelden zijn de Oostvaardersplassen en een aantal uiterwaarden van rivieren, waar de natuur haar gang kon gaan in het kader van het Plan Ooievaar. Ook veel liefhebbers van het oude cultuurlandschap langs de rivieren gaven zich uiteindelijk hiervoor gewonnen. Vera: "Uit onderzoek blijkt dat een overgrote meerderheid van de aanvankelijke tegenstanders hier na een aantal jaren positief tegenover stond, zelfs een kleine meerderheid onder de boeren."

Kaalgeslagen

Tegenstanders van 'nieuwe natuur' lijken gedoemd tot het leveren van achterhoedegevechten. Een invloedrijke organisatie die opkomt voor hun belangen is er niet. Misschien kan de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap (in 2006 voortgekomen uit de Vereniging Das&Boom) daartoe uitgroeien, al presenteert die zich vooral met een ambitieus Deltaplan om het landschap te verfraaien. Louter strijden voor behoud van het bestaande is niet sexy; dat riekt naar conservatisme.

De Britse filosoof John Gray hield jaren geleden een pleidooi voor toenadering tussen groenen en conservatieven. Hij zag drie fundamentele overeenkomsten tussen het gedachtegoed van de beide politieke stromingen: ze kijken verder dan alleen de huidige generatie, hechten veel waarde aan de gemeenschap en hebben een afkeer van grootschalige vernieuwende experimenten. Het lijkt erop dat de Britse Conservatieve Partij hier ten langen leste gehoor aan geeft, want haar nieuwe leider David Cameron profileert zich nadrukkelijk als een 'groene' kandidaat. Maar in het Nederlandse politieke debat zijn degenen die zichzelf conservatief noemen vooral gericht op het conserveren van de oude machtsverhoudingen in de samenleving. Geen wonder dat GroenLinksers en andere vooruitstrevende natuurliefhebbers het niet prettig vinden om van conservatisme te worden beticht.

Dit neemt niet weg dat vooral de linkse huiver tegenover grootschaligheid prima aansluit bij het gedachtegoed van menig natuurliefhebber. De Bomenstichting, een landelijk netwerk van bomenbeschermers, heeft dat hoog in haar vaandel staan. Edwin Koot, projectleider bomenbeleid van de stichting: "Wij zij voorstander van natuurontwikkeling, maar we zeggen ook: doe het niet te rigoureus. Vaak wordt het heel groots aangepakt. Dan moeten er bijvoorbeeld een paar prachtige oude wilgen wijken, omdat men een natuurlijke oevervegetatie met riet wil. In onze ogen moet je dan bedenken dat het heel slecht te verkopen is wanneer het eerste wat mensen zien bij de aanleg van nieuwe natuur een volkomen kaalgeslagen vlakte is. Sluit dan een compromis, laat een aantal van die jongens staan, al past dat niet in het concept." Volgens Frans Vera is echter wetenschappelijk aangetoond “dat alleen in grootschalige gebieden natuurlijke processen zoveel variëteit laten ontstaan dat daar de van nature in Europa aanwezige biodiversiteit kan worden behouden.”

Alex de Meijer wijst erop dat ook financiële overwegingen een rol spelen bij de keuze voor een grootschaligere aanpak. Rigoureus percelen bos kappen is goedkoper dan selectief ingrijpen. En oude cultuurlandschappen in stand houden vereist maaien, plaggen, snoeien en andere vormen van kostbaar onderhoud, die in verwilderde natuurontwikkelingsprojecten achterwege kunnen blijven. Toch heeft hij vertrouwen in de compromisbereidheid van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. "Dit soort organisaties is gevoelig voor publieke druk. Diverse acties voor het behoud van bijvoorbeeld tamme kastanjes of Amerikaanse eiken die gekapt dreigden te worden omdat ze hier niet thuis zouden horen, hebben succes gehad. Bij de Overasseltse Vennen, waar Staatsbosbeheer ruimte wil scheppen voor zeldzame (natte) natuur, is onder publieksdruk afgedwongen dat het aantal te kappen hectares wordt beperkt." Zo kent hij meer voorbeelden. Al met al is De Meijer blij met de toegenomen discussie over de wijze van natuurbeheer. "Laat de meningen maar botsen, dan komt er iets goeds uit."

Literatuur:

- J. Gray, Beyond the new right. Markets, government and the common environment, Routledge, London & New York 1993.

Sylvester Hoogmoed is journalist.
Alle artikelen