Zo dichtbij en zo ver weg

Armenië en Azerbeidzjan

In de zuidoostelijke uithoek van Europa liggen tussen Georgië en de Kaspische Zee Armenië en Azerbeidzjan. Leo Platvoet bezocht de laatste drie jaar de regio regelmatig. Voor de Helling schetst hij aan de hand van fragmenten uit de beroemde roman Ali en Nino van Kurban Said de in historie gedrenkte zielenroerselen van de politiek in de zuidelijke Kaukasus.

Armenië en Azerbeidzjan verkeren al jaren op voet van een ongemeen koude oorlog over de enclave Nagorno Karabach. Beide voormalige Sovjetrepublieken kennen verstarde politieke verhoudingen. Politieke elites winnen met machtsvertoon en duistere praktijken verkiezingen. De langzaam groeiende maatschappelijke oppositie delft tot nu toe het onderspit. Kunnen Ali en Nino dit bevroren conflict ontdooien?

Ik leunde achterover in de kussens. Het was goed een gedachte helemaal tot het einde te denken. Mogelijk dat de mensen zullen zeggen dat ik thuisblijf om geen afscheid te hoeven nemen van de donkere ogen van Nino. Dat is goed mogelijk. Misschien hebben die mensen ook wel gelijk. Want die donkere ogen zijn voor mij hetzelfde als mijn geboortegrond, hetzelfde als de roep waarmee mijn geboortestad haar zoon roept die door een vreemdeling wordt verleid vreemde wegen te gaan. Ik blijf om de donkere ogen van mijn vaderland tegen de onzichtbare te beschermen.

Het veelgeprezen Ali en Nino is het ‘Romeo en Julia’ van de Zuidelijke Kaukasus. De “wondermooie”, “virtuoos” geschreven roman, “die niemand onberoerd laat” (aldus Trouw en de Volkskrant) verhaalt van de onmogelijke liefde tussen Ali, een jonge moslim uit een familie van oliebaronnen, en Nino, dochter van een christelijke zakenman. De roman speelt in het Azerbeidzjan van de Russische revolutie en de Eerste Wereldoorlog, maar geeft ook fraaie beschrijvingen van het landelijke leven in Nagorno Karabach.

Bij de bron van Pechachpur keken de bomen als vermoeide heiligen naar de hemel. De bron ruiste in haar nauwe, stenen bedding. Kleine heuvels benamen het uitzicht op Sjoesja. In het oosten gingen de velden van Karabakh over in de stoffige steppen van Azerbeidzjan.

Deze pastorale beschrijving van Karabach staat in schrille tegenstelling tot haar geschiedenis. Nagorno Karabach (‘Bergachtige Zwarte Tuin’) is al eeuwenlang een speelbal in de roerige geschiedenis van de zuidelijke Kaukasus, waar Arabieren, Tartaar-Mongolen, Russen, Ottomanen, en Armeniërs hun hegemonie probeerden te vestigen door die van de anderen te betwisten. In de negentiende eeuw beleefde Nagorno Karabach als onderdeel van het Russische Rijk een periode van voorspoed. De hoofdstad Sjoesja groeide uit tot het economische en culturele centrum van het zuidoostelijke deel van de Kaukasus en was met haar 60.000 inwoners groter dan Bakoe en Yerevan. Toen beide landen in 1918 democratische republieken werden, kregen ze het onmiddelijk met elkaar aan de stok over Nagorno Karabach. In Soesja werd als reactie hierop een volksregering samengesteld, die tot 1920 het bergstaatje regeerde. De Azeri’s konden dit moeilijk verkroppen en hun leger richtte in 1920 een bloedbad aan in Soesja. In 1921 veroverden de bolsjewieken de zuidelijke Kaukasus. Zij namen een vergaande beslissing: omwille van de vreedzame betrekkingen tussen christenen (lees: Armeniërs) en moslims (Azerbeidzjanen) zou Nagorno Karabach een autonome regio worden binnen de staatsgrenzen van Azerbeidzjan. Een besluit dat na zeventig jaar Sovjet-stolling tot een nieuwe uitbarsting leidde. En een herhaling van zetten: strijd tussen Azerbeizdjan en Armenië, met als reactie het uitroepen van de onafhankelijkheid van Nagorno Karabach. Dit leidde tot een bloedige strijd tussen Azerische troepen en Armeense Karabachstrijders, die de laatsten uiteindelijk wonnen. Tienduizenden Azeri’s, die soms generaties lang vreedzaam met Armeniërs in Nagorno Karabach hadden samengewoond, ontvluchtten de enclave en werden zo vluchteling in eigen land. Bovendien bezetten Armeense troepen – tot op de dag van vandaag – de met geweld ontvolkte streken rondom de enclave: méér dan een doorn in het oog van Azerbeidzjan.

“Ali Khan, je bent dom. Godzijdank zijn we hier in Europa. Waren we in Azië dan droeg ik al lang en breed een sluier, en dan zou je me niet kunnen zien.”
Ik gaf me gewonnen. De geografisch omstreden ligging van Bakoe verzekerde mij van de aanblik van de mooiste ogen van de wereld.

Vanaf de onafhankelijkheid in 1991 is Azerbeidzjan verwikkeld in een ingewikkeld democratiseringsproces, om toch maar vooral bij Europa te horen. Maar er zit weinig vooruitgang in. De politieke macht is sinds 1993 in handen van één partij, de YAP (Nieuw Azerbeidzjaanse Partij). In dat jaar won partijleider Heydar Aliyev de presidentsverkiezingen, nadat een referendum met maar liefst 97 procent van de uitgebrachte stemmen de zittende president Eltchibey had weggestemd. Daar waren twee chaotische jaren aan voorafgegaan, waarvan de verloren strijd rond Nogorno Karabach de katalysator was. Aliyev was een voormalige KGB-agent die door Leonid Brezjnev in 1969 werd benoemd tot zetbaas van Moskou in Azerbeidzjan en het in 1982 schopte tot vice-premier van de Sovjetunie. In 1987 werd hij door Gorbatsjov vanwege corruptie opzij geschoven, waarna hij de in die jaren bekende draai maakte van communist tot kapitalistisch zakenman.

Azerbeidzjan is een presidentiële democratie: praktisch alle macht is in handen van de president en de presidentgetrouwe meerderheid in het parlement heeft geen dualistische pretenties. Tijdens het bewind van Aliyev neemt de corruptie toe; een rijke bovenlaag profiteert van de olie die uit de Kaspische Zee wordt gewonnen. Berucht zijn de verhalen over zijn zoon Ilham Aliyev, vice-president van de staatsoliemaatschappij, die als een playboy in casino’s en salons goede sier maakte met de oliedollars. Als de gezondheid van de oude Aliyev langzaam maar zeker verslechtert, neemt Ilham als YAP-kandidaat aan de presidentsverkiezingen van 2003 deel, en weet deze ook te winnen. Deze eerste erfopvolging in het pre-Sovjettijdperk vindt onder luide internationale kritiek plaats, vanwege de vele onregelmatigheden waaronder de verkiezingen plaatsvinden. De oppositie organiseert massademonstraties die met veel geweld uiteen worden geslagen.

In woord probeert Ilham Aliyev na zijn aantreden een democratisch gezicht te tonen door het belang van mensenrechten, democratie en rechtstaat te onderstrepen. Echter, elke verkiezing die na zijn aantreden is gehouden, krijgt méér internationale kritiek. Overheid en YAP zijn geheel versmolten: alle relevante overheidsfuncties worden bekleed door partijgangers. De –ook nog hopeloos verbrokkelde – oppositie wordt monddood gemaakt: partijkantoren en kranten worden regelmatig op de korrel genomen, kritische journalisten moeten op hun tellen passen en mensenrechtenorganisaties worden al snel gebrandmerkt als een instrument in handen van buitenlandse mogendheden.

De kramp in de democratische ontwikkeling van Azerbeidzjan kan voor een belangrijk deel worden verklaard uit het zwarte goud dat het bezit en waar de Aliyev-clan zo van profiteert. Zeker sinds vanaf mei 2006 de 1768 km lange pijplijn van Bakoe via Tiblisi de olie naar de Turkse havenstad Ceyhan laat vloeien in een stroom van 1 miljoen barrels per dag. Op wereldschaal bezien slechts een aandeel van zo’n 1 procent van de wereldhandel, maar voor Azerbeidzjan de aanjager van een record economische groei van 35 procent in 2007. Politieke macht betekent automatisch economische controle over deze geldkoe. En dus heeft de huidige elite er veel voor over om haar macht te continueren, ook als daar verkiezingen voor moeten worden gemanipuleerd. Voor een ander deel kan de democratische kramp worden verklaard uit het verlies van Nagorno Karabach. Deze breed gevoelde vernedering wordt door de heersende elite voor eigen politieke doeleinden gebruikt. De vijandschap jegens Armenië wordt fanatiek in stand gehouden: ieder incident langs de gemilitariseerde grens wordt uitvergroot. Horrorverhalen over al vijftien jaar vermiste personen die als slaven in Armeense zilvermijnen zouden werken, worden met graagte verspreid in de massamedia. De derde reden voor de moeizame democratische ontwikkeling is van meer algemene aard en geldt voor alle voormalige Sovjetrepublieken. Na zeventig jaar proletarische dictatuur is het democratisch bewustzijn zwak ontwikkeld. Politieke partijen voeren veel onderlinge strijd, maar die gaat vooral over personen en posities. Het kost veel moeite om programmatische verschillen te ontdekken tussen rivaliserende partijen. En de persoonsverheerlijking speelt nog steeds een grote rol. De oude Aliyev zwaait je op reusachtige affiches vanaf vele plekken in Azerbeidzjan minzaam tegemoet, zijn beeltenis hangt in ieder overheidsgebouw en op de website van de YAP wordt hij in Noord-Koreaanse termen omschreven als ‘geniale zoon van ons volk’.

Ik gaf hem dankbaar een hand. Er bestonden dus werkelijk fatsoenlijke Armeniërs. De ontdekking was verwarrend.

Armenië is sinds 1991 eveneens een presidentiële democratie. Het land beschouwt zich als het laatste christelijke bolwerk van het Westen: Azerbeidzjan en Turkije zijn immers – weliswaar seculiere – landen met een islamitische bevolking. En met beide landen, trouwe bondgenoten van elkaar, onderhoudt Armenië een zeer gespannen relatie, die de geografische overgang van christendom naar islam markeert met een virtueel IJzeren Gordijn. De Armeense ‘genocide’, waarbij tussen 1915 en 1917 volgens uiteenlopende schattingen tussen de 650.000 en 1,5 miljoen Armeniërs in Anatolië omkwamen, is – zolang Turkije elke verantwoordelijkheid hiervoor blijft ontkennen – een onoverkomelijke hindernis. Even buiten Yerevan ligt op een heuvel het megalomane monument dat de genocide herdenkt. De in beton gegoten symboliek, omgeven met groenstroken waarin politici uit alle windstreken met boompjes hun medeleven betuigen, laat geen twijfel betaan over de hardnekkigheid waarmee de Armenen deze gebeurtenis zullen gebruiken om hun zuiderburen tot enig schuldbesef te dwingen. De kwestie Nagorno Karabach is vanuit Armeens perspectief gezien historische logica. Wie rechtvaardigheid in eeuwen telt en het heden door alléén een historische bril beschouwt, kan niet anders tot de conclusie komen dat de korte periode waarin Nagorno Karabach formeel deel uitmaakte van de Sovjetrepubliek Azerbeidzjan in het niet zinkt bij de eeuwen daarvoor waarin dat niet het geval was. Bovendien: door de eeuwen heen is het hoofdzakelijk door Armeniërs bewoond.

De Armeense zaak wordt in beide kwesties door een actieve diaspora – vooral in de VS en Frankrijk – hartstochtelijk ondersteund. Wat betreft de genocide wordt er terreinwinst geboekt: tientallen landen hebben officieel Turkije verantwoordelijkheid gesteld voor de massamoord. Bij Nagorno Karabach ligt de situatie lastiger. Het groene bergstaatje wordt door niet één land erkend, ook niet door Armenië, en er is een trits VN-resoluties waarin de territoriale onschendbaarheid van Azerbeidzjan inclusief Nagorno Karabach is vastgelegd. Maar onrustiger worden de Armenen van de oorlogszuchtige taal die vanuit Azerbeidzjan klinkt, dat de toegestroomde oliedollars voor een deel gebruikt om zich fors te bewapenen. En dus domineert de enclave – en de relatie met Azerbeidzjan – ook de Armeense politiek. Het feit dat vooraanstaande Armeense politici een strijdbaar Karabachverleden hebben is daar mede debet aan. In 1991 werd Levon Ter-Petrossian tot president gekozen. Deze telg uit een familie van genocide-overlevers is eind jaren tachtig actief betrokken geraakt bij de beweging die Nagorno Karabach wil losweken uit Azerbeidzjan. Een ideale combinatie voor een populaire politicus in Armenië. In 1996 wordt hij herkozen, al bekritiseren zowel de oppositie als internationale waarnemers het oneerlijke karakter van de verkiezingen. In 1998 wordt hij gedwongen af te treden, omdat hij tot een compromis bereid was in de kwestie Nagorno Karabach. Zijn Judas is de compromisloze premier Robert Kocharyan, geboren in Nagorno Karabach en van 1994 tot 1997 president van het bergstaatje. Hardliner Kocharyan wordt in 1998 tot president gekozen en in 2003 herkozen. Beide verkiezingen gaan – wederom – gepaard met beschuldigingen van fraude en politiegeweld. Bij de presidentsverkiezingen van dit jaar kan Kocharyan van de Armeense grondwet niet opnieuw kandidaat zijn. Maar zijn opvolging is nauwkeurig geregisseerd: premier Sargsyan, eveneens een gehard strijder uit Nagorno Karabach, wordt door hem op Poetinse wijze als opvolger aangewezen. Saillant detail: Levon Ter-Petrossian is na tien jaar politiek celibaat de kandidaat van de oppositie. In zijn campagne beschuldigt hij het duo Kocharyan-Sargsyan van grootschalige corruptie en schending van mensenrechten. Hij behaalt 21,5 procent van de stemmen; zijn aanhang spreekt van gestolen verkiezingen en houdt enige dagen het centrale plein in Yerevan bezet, waarbij enkele doden vallen. Een maand lang wordt de noodtoestand afgekondigd.

“Maar het kind dat ik in me draag, zal geen kind van de woestijn en ook niet van het zand worden, maar gewoon het kind van Ali en Nino. Afgesproken?”
“Afgesproken”, zei ik en ik wist dat ik mij daarmee akoord had verklaard de vader van een Europeaan te worden.

Anders dan dit citaat doet vermoeden loopt de botsing tussen twee culturen niet goed af in de roman. Desondanks kan Ali en Nino óók worden gelezen als een poging om etnische, nationale, religieuze en culturele grenzen te overstijgen, als een getuigenis dat er meer is dat mensen vreedzaam bindt dan hen gewelddadig scheidt.

De parallel met de werkelijkheid anno 2008 is dat er meer gelijkenis tussen Azerbeidzjan en Armenië is dan beide landen lief is. Beide landen willen westerse democratiën zijn. Beide zijn lid van de Raad van Europa en onderschrijven dezelfde uitgangspunten met betrekking tot democratie, mensenrechten en rechtstaat. Om uiteenlopende redenen willen ze zowel goede contacten houden met het naburige Rusland als met het verre Amerika. Tegelijkertijd zijn de politieke verhoudingen verstard. De gestaalde kaders uit Nagorno Karabach gijzelen de Armeense politiek en de Aliyev-dynastie in Azerbeidzjan handhaaft met harde hand haar politiek-economische hegemonie. Verkiezingen zijn in beide landen in toenemende mate omstreden. Beide landen hebben een forse economische groei, die echter nauwelijks de armsten ten goede komt. De sociale ongelijkheid neemt toe, jongeren beproeven elders hun geluk. Verkiezingen worden in- en uitgeluid met demonstraties en internationale protesten. In beide landen lijkt sprake te zijn van een gestaag groeiende, maatschappelijke oppositie die schreeuwt om internationale steun. En sancties tegen machthebbers die nu consequent over een lange periode democratische principes bruskeren waar ze zelf voor getekend hebben.

Het oplossen van het ‘bevroren conflict’ Nagorno Karabach is een noodzakelijke stap om de situatie te ontdooien. De slepende verkenningen die nu al jarenlang onder de vlag van de OVSE worden gevoerd, moeten plaats maken voor onderhandelingen, waarbij de VS, EU en Rusland aanschuiven. Laat de VS en de EU aantonen dat de onafhankelijkheid van Kosovo inderdaad geen vrijbrief is voor allerlei separatistische bewegingen, die na etnische zuiveringen menen het recht op zelfstandigheid verdiend te hebben. En Rusland kan nu wél haar volkenrechterlijk principe van territoriale integriteit laten gelden.

Literatuur:

- Ch. de Leeuw, Storm over de Kaukasus, Babylon-De Geus, Amsterdam 1997. (Nog verkrijgbaar op www.marktplaats.nl)
- Th. de Waal, Black Garden, New York University Press, New York 2003
- K. Said, Ali en Nino, De Bezige Bij, Amsterdam 2001 (1937).
- T. Reiss, Een reiziger uit de Oriënt, De Bezige Bij, Amsterdam 2005.

Oud-partijvoorzitter en voormalig Eerste Kamerlid voor GroenLinks.
Alle artikelen