7 mrt 2017

Beter onderwijs: drie voorstellen voor het nieuwe kabinet

Het onderwijs schreeuwt om aandacht: leerlingen en studenten willen maatwerk, docenten zuchten onder de werkdruk en de kwaliteit daalt. Maar de ministers van Onderwijs laten hun oren te veel hangen naar bestuurders, aldus onderwijsexpert Lisa Westerveld (#14 op de kandidatenlijst van GroenLinks voor de Tweede Kamerverkiezingen). Zij stelt drie grote wijzigingen voor.

Alle politieke partijen in Nederland willen goed onderwijs: “Goed onderwijs is, naast het gezin waarin je opgroeit, de aanjager van kansen en de motor van persoonlijke groei en ontplooiing. Een leven lang,” aldus het programma van D66. De VVD wil het allerbeste onderwijs “niet alleen voor de pientere dochter van vijf die zichzelf al leerde lezen, maar ook voor de handige zoon van zeventien die hard op weg is een geweldige stukadoor te worden.” De SP wil “minder markt en meer democratie” in het onderwijs en GroenLinks legt de nadruk vooral op kansengelijkheid.

Dat wordt dus een makkie, de komende vier jaar, zou je denken. Maar de praktijk blijkt weerbarstiger. Want wat nu dat ‘goede onderwijs’ is, daarover blijken de meningen flink te verschillen. De lijstjes van beste scholen op basis van eindexamencijfers, schooltoetsen, klassengrootte of het opleidingsniveau van de leraren geven ook niet genoeg houvast. Wel is duidelijk dat de laatste jaren vooral is ingezet op de toch al goede leerling die meer uitdaging nodig heeft. Op excellente scholen en uitblinkers.

Dat is niet per se verkeerd, maar in het onderwijs gaat het niet alleen om die “pientere dochter van vijf” en die “handige zoon van zeventien”, maar ook om het gehandicapte nichtje en de probleemjongere uit de straat verderop. Voor hen is goed onderwijs minstens zo belangrijk. Om dat voor elkaar te krijgen, zijn er drie grote wijzigingen nodig in het kabinetsbeleid, die ik hieronder zal toelichten.

In de eerste plaats moet de stem van alle betrokkenen (leerlingen en studenten, leraren en ouders) in het onderwijs beter gehoord worden. Ten tweede moet meer worden geïnvesteerd in het onderwijzend personeel en ten derde moet de aandacht worden verlegd naar leerlingen die extra zorg nodig hebben.

1. Leraren, leerlingen en studenten 'eigenaar' van het onderwijs

Leraren, ouders en leerlingen/studenten hebben in ons onderwijssysteem weinig formele invloed, ondanks het feit dat de overheid op afstand staat. Het zijn de bestuurders die over de eigen instelling besluiten. Ze krijgen wel adviezen van de medezeggenschapsraad, maar die heeft nauwelijks middelen om besluiten te veranderen of tegen te houden en heeft vaak last van een informatieachterstand. Toezichthouders kijken van een afstand mee en hebben de taak in te grijpen wanneer het mis gaat. Dat gebeurt zelden. In de praktijk zien we dat dit bestuurssysteem alleen werkt als er welwillende bestuurders zijn die de input van onderwijzers en leerlingen/studenten serieus nemen.

Diverse ministers hebben aangekondigd dat het beter moet. Ze willen een cultuurverandering, maar dat gaat niet vanzelf. Voorstellen om de regels aan te scherpen worden dikwijls toch niet omgezet in wetgeving. Dit is mede te verklaren doordat de bestuurders, verenigd in koepelorganisaties, een sterke positie hebben in Den Haag.

De bewindspersonen van de afgelopen jaren liepen te veel aan de leiband van bestuurders

 

Zelf ervoer ik de macht van de bestuurders in mijn tijd als voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Voormalig onderwijsminister Ronald Plasterk kondigde aan met een wetswijziging te komen om de positie van studenten en docenten te verbeteren. Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel ‘Versterking besturing’ bleek echter dat onze voorstellen sneuvelden zodra een vertegenwoordiger van een van de bestuurdersorganisaties bij het ministerie op bezoek was geweest.

De protesten aan de UvA

Een paar jaar later herhaalde de geschiedenis zich. ‘De studenten worden op hun wenken bediend’, stelde onderwijsminister Jet Bussemaker naar aanleiding van de onrust op de Universiteit van Amsterdam (UvA), waar ontevreden studenten het Maagdenhuis hadden bezet. De minister was namelijk bezig met een wet om de inspraak te versterken. Helaas bevatte de wet nauwelijks voorstellen die de positie van studenten en medewerkers substantieel zou veranderen.

Het gevoel niet gehoord te worden lag aan de basis van de protesten aan de UvA. Stelselmatig werd de mening van studenten en medewerkers over belangrijke beslissingen genegeerd door bestuurders. Met de bezetting van het Maagdenhuis dwongen de studenten een aantal nieuwe commissies af, die de financiële situatie op de UvA en het bestuurs- en organisatiemodel zouden onderzoeken.

Als voorzitter van één van die commissies, de commissie Democratisering & Decentralisering, raakte ik nauw betrokken bij pogingen om de positie van studenten en docenten te versterken. Al snel bleek dat de universiteit als werkgever niet best werd beoordeeld (zie bijvoorbeeld het knelpuntenonderzoek en de medewerkersmonitor uit 2015). Er heerste onvrede over het grote aantal medewerkers met tijdelijke contracten, de beperkte loopbaanperspectieven en de hoge werkdruk. Maar ook over de onduidelijke procedures en ondoorzichtige besluitvorming. Studenten klaagden over de organisatie van het onderwijs, die vooral tijdens de eerste studiejaren (te) strak was en weinig tot geen mogelijkheid bood om een afwijkend studiepad of tempo te kiezen.

Een sterke tegenmacht is nodig en vraagt scholing, ambtelijke ondersteuning en vooral voldoende tijd

 

We organiseerden bijeenkomsten waarin we met studenten en medewerkers aan de slag gingen met projecten over medezeggenschap en autonomie. De meningen over het beste bestuursmodel bleken hopeloos verdeeld. Daarom deden we in ons eindrapport niet alleen een reeks voorstellen voor verbetering op de korte termijn, maar presenteerden we ook enkele nieuwe bestuursmodellen. Omdat geen enkel model werkt zonder een cultuurverandering, stelden we voor een senaat ‘nieuwe stijl’ in te stellen, waarin vertegenwoordigers uit alle geledingen van de universiteit bij elkaar zouden komen om te adviseren over het langetermijnbeleid van de UvA. En we ontwierpen een charter, waarin de kernwaarden van de universiteit stonden.

Volgens onze opdracht moest de hele universitaire gemeenschap zich kunnen uitspreken over onze voorstellen, en dus organiseerden we in november en december 2016 een referendum waarin we een lijst met vragen voorlegden aan medewerkers en studenten. In januari legden we alles neer bij de medezeggenschapsraad, de bestuurders en de decanen van de universiteit. Zij zullen immers het inmiddels ingezette verandertraject verder moeten realiseren.

Meer ruimte voor inspraak

De les van dit traject is, wat mij betreft, dat in alle sectoren van het onderwijs leerlingen, studenten en leraren ‘eigenaar’ van het onderwijs moeten worden. Zij hebben ruimte nodig om mee te denken en beslissen over hun eigen lessen, opleiding en instelling. De extra tijd en middelen die hiervoor nodig zijn, moeten vanuit het onderwijs worden opgeëist: vermindering van de werkdruk, verkleining van de klassen en in het hoger onderwijs ruimte voor studenten om studievertraging op te lopen. Dat lijkt misschien contraproductief, maar voor de vervolmaking van een goede wetenschappelijke of hbo-opleiding is maatwerk de sleutel, ook als dat meer tijd kost. Ook deelname aan een medezeggenschaps- of inspraakorgaan zou beter gefaciliteerd en aangemoedigd moeten worden.  Een sterke tegenmacht tegen de bestuurlijke macht is nodig en vraagt scholing, ambtelijke ondersteuning en vooral voldoende tijd.

Jarenlang was de overheid alleen gericht op een zo efficiënt mogelijke inrichting van het onderwijs. Kostenreductie was het belangrijkst. Zittenblijven of langer studeren werd als onwenselijk gezien. Overwerk van leraren was normaal. Die cultuur moet anders, temeer omdat diverse ministers verzuimd hebben – ondanks financiële wantoestanden op verschillende onderwijsinstellingen – de macht van bestuurders in te perken door regels aan te scherpen.

Een dergelijke omslag is niet alleen een kwestie van tijd, maar ook van geld. Nadat het Rijk jarenlang de kaasschaaf over het onderwijs heeft gehaald, wordt het tijd voor investeringen.

2. Investeren in leraren

Mijn tweede wijzigingsvoorstel hangt samen met het eerste. Meer ruimte voor inspraak betekent ook meer investeren in het onderwijzend personeel. Maar het gaat hier ook om de kwaliteit van het onderwijs zelf; die is immers afhankelijk van degene die voor de klas staat (zie het onderzoek van de OECD uit 2016). Voor goed onderwijs moeten we dus investeren in leraren: met goede opleidingen, goede randvoorwaarden en een bijpassend salaris.

Helaas is er nogal wat aan te merken op de lerarenopleidingen, blijft het salaris van leraren achter vergeleken met dat van andere hoogopgeleiden en zijn de randvoorwaarden slecht. Achttien procent van het onderwijspersoneel krijgt te maken met burn-out gerelateerde klachten, en dat is het hoogst van alle sectoren. De werkdruk is hoog want de klassen zitten stampvol, en – erger nog – leraren zijn vaak zo veel tijd kwijt aan het invullen van allerlei documenten dat het moeite en vrije tijd kost om fatsoenlijk lessen voor te bereiden of maatwerk te leveren.

Kappen met pappen en nathouden

Hoewel Tweede Kamerleden de afgelopen jaren diverse voorstellen deden om het werk voor de leraar te verlichten, blijft het ministerie van Onderwijs dralen. Maatregelen die de afgelopen jaren wel zijn genomen, zijn vaak het gevolg van misstanden bij individuele onderwijsinstellingen. Maar over het algemeen wordt het beleid gekenmerkt door pappen en nathouden.

Desgevraagd moest staatssecretaris Dekker erkennen dat hij ook niet precies wist waar het geld was gebleven

 

Een goed voorbeeld zijn de 3000 banen voor leraren, die staatssecretaris Dekker in 2013 beloofde. Hiervoor had het ministerie 150 miljoen vrijgemaakt. Dat geld zou naar scholen in het basis- en het voortgezet onderwijs gaan en was specifiek bedoeld om 3000 extra leraren aan te stellen. Eind 2014 constateerde de Onderwijsbond dat het aantal banen juist minder was geworden. Desgevraagd moest Dekker erkennen dat hij ook niet precies wist waar het geld was gebleven. Toch twijfelde hij er niet aan dat de 150 miljoen euro goed besteed was. “Maar ik kan het niet overleggen met bonnetjes.”

Een soortgelijk voorval speelde ook bij het bedrag dat was beloofd voor extra conciërges op scholen. Het laat zien dat de lumpsumregeling (waarbij scholen zelf hun gelden mogen besteden) te ver is doorgeslagen, waardoor extra investeringen niet op de juiste plaats terechtkomen. Ook dit pleit weer voor meer zeggenschap voor studenten, medewerkers en ouders. En voor bindende afspraken met het ministerie zelf, zodat bedragen die zijn bedoeld voor een bepaald doel, ook daaraan worden besteed. Opnieuw wreekt zich hier dat de bewindspersonen van de afgelopen jaren te veel aan de leiband van bestuurders liepen.  

3. Passend onderwijs voor leerlingen die extra zorg nodig hebben

Mijn derde wijzigingsvoorstel – meer aandacht voor leerlingen die extra zorg nodig hebben – vloeit voort uit het in de praktijk brengen van het eerste voorstel: beter luisteren naar leerlingen en docenten. Vraag aan leraren waar hun grootste zorg zit en ze zullen wijzen op het passend onderwijs. De gedachte achter de stelselwijziging is goed: zorgen dat zoveel mogelijk leerlingen in reguliere klassen kunnen meedraaien. Maar ruim twee jaar na invoering moeten we constateren dat de situatie zorgwekkend is. Leerlingen krijgen niet altijd de aandacht die ze nodig hebben en de leraren, die al te maken hadden met volle klassen, worstelen met de leerlingen die extra zorg nodig hebben. Ondersteuning ontbreekt: collega's die dit voorheen in de school zelf verzorgden, zijn veelal verdwenen, 'weggepromoveerd' naar abstracte samenwerkingsverbanden. De Onderwijsraad spreekt van “ontoereikende informatie op leerlingniveau en het ontbreken van een dekkend ondersteuningsaanbod.”
Hoe moet het dan wel? Simpelweg door te investeren in ‘meer handen in de klas’. Zorg dat er op iedere school passende begeleiding is en dat leraren de handen vrij hebben om aandacht te geven aan iedere individuele leerling.

Meer over onderwijs in het lentenummer van de Helling.

Bronnen

‘Studenten Maagdenhuis worden volgens minister op wenken bediend’, nu.nl. 9.4.2015.

Een universiteit van waarde(n), eindrapport van de commissie Democratisering & Decentralisering Universiteit van Amsterdam, oktober 2016.

Netherlands 2016: Foundations for the future, reviews of national policies for education, OECD Publishing, Paris 2016.

Passend onderwijs. Adviesbrief aan de staatssecretaris van Onderwijs, Onderwijsraad, Den Haag 2016.

Tweede Kamerlid voor GroenLinks.
Alle artikelen

Reacties

Ook in het onderwijs blijkt de transparantie zoek. Staatssecretaris Dekker twijfelt er niet aan dat de 150 miljoen euro goed is besteed, maar de grond daarvoor ontbreekt!
Juist geld is ook zo belangrijk om jongeren kansen te bieden de studie te volgen waar hun belangstelling naar uit gaat. Waar zij aanleg voor hebben en waar zij hun levensloop naar willen uitstippelen.
De vrijheid die hen die kans en keuze biedt en hen bovendien vrijwaart van langdurige afbetaling van hoge studieschulden, die vrijheid kan hen geboden worden door de invoering van een voldoende hoog Universeel Basisinkomen (UBI).
Het is één van de vele pluspunten die het UBI onze samenleving biedt!

Mijn ervaring is dat we het voortdurend hebben over geld en kwaliteit. Helaas wordt met kwaliteit dan vaak kwantiteit bedoeld. Ik heb jarenlang in het basisonderwijs gewerkt en merk dat de kwaliteit van de instromende leerkrachten gemiddeld onvoldoende is. Men heeft vaak geen idee op welke wijze kinderen zich ontwikkelen; geen deskundigheid op het gebied van mensbeeld, etc. Ik pleit dan ook voor een kwaliteitsimpuls in de opleiding. We kunnen daarnaast niet blijven roepen dat het passend onderwijs onvoldoende is. Dit heeft te maken met het gegeven, naast werkdruk, lage beloning, etc., dat leerkrachten niet in staat zijn maatwerk te leveren, omdat het ontbreekt aan inzicht in het zich ontwikkelende kind.
Daarnaast roepen we al jaren dat vakken als muziek, handenarbeid, tekenen etc, weer voldoende aandacht moeten hebben. Maar welke leerkracht heeft dit allemaal in huis? We vergeten dat o.a. goed teken- en muziekonderwijs een grote mate van deskundigheid vraagt. Is de gemiddelde basisleerkracht daarin opgeleid?? Het antwoord is nee. Dit vraagt om radicaal andere oplossingen.

Vriendelijke groet,
Keympe van der Gronde

Reactie toevoegen