3 mei 2018

De toekomst van linkse politiek

Lezing over gelijke zelfbeschikking en progressieve technologie

Installatie van een zonnepaneel in Malawi, 2017. Foto door Jon Strand. CC BY-SA 4.0

Op 1 mei hield Kathalijne Buitenweg, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, de Koos Vorrink-lezing. Zij pleitte voor gelijke zelfbeschikking en een progressieve technologieagenda.

Het is bijzonder om terug te zijn in Lage Vuursche, bij het Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk (NIVON). Ik ben hier ontelbare weekenden geweest. Dat wil zeggen: aan de overkant van de bosweg, bij Ons Honk. Destijds het huis van de NIVON-jeugd en -jongeren.

Vanaf mijn twaalfde jaar zat ik in de werkgroep 12+. Met andere kinderen, en met hulp van een jongerenwerker, organiseerde we weekenden, over onderwerpen als ‘Hoe belangrijk is je uiterlijk?’, ‘seksualiteit’ of je relatie met je ouders. We praatten, we deden ontelbare spellen (deels hier in het bos) en ’s avonds sliepen we op de ‘strijkplank’, twee lange houten constructies met elk een stuk of acht matrassen.

Het NIVON was de plek waar ik groot werd. Met mijn ouders op de Pinksterkampen, met mijn broer naar de zomervakantiekampen, en op mijn vijftiende met andere jongeren op wandelvakantie in Engeland. Ik leerde bij het NIVON samen te werken, ideeën te realiseren, missers te verwerken en successen te vieren.

De activiteiten waren bovenal leuk. Maar ze hebben me ook onmiskenbaar veel geleerd. Zo’n vrijplaats waar jongeren zelf het heft in handen kunnen nemen, is een school voor burgerschap.

Het moet me van het hart dat ik de verkoop van Ons Honk in 2000 betreur. Ik weet dat er exploitatieproblemen waren, maar ik zou willen dat er meer vrijplaatsen waren voor en door jongeren. Het levert namelijk ook wat op: kritische, constructieve burgers.

Veranderingsgezindheid

Vandaag ben ik aan déze kant van het bospad. Zelf inmiddels ook een NIVON-oudere. Om te praten over de toekomst van de linkse politiek. Ik moet zeggen dat de titel me aanvankelijk wat ongemakkelijk deed voelen. Er stond nog net geen vraagteken achter! De vraag is wat mij betreft niet of er toekomst is voor de linkse politiek, maar hoe de linkse politiek de toekomst vormgeeft.

Vorig jaar stond Jan Pronk op deze plek. Hij gaf een bijzondere aftrap van de Koos Vorrink-lezingenreeks. Met een historische beschrijving van de grote veranderingen in de wereld in iets meer dan een halve eeuw tijd, en de problemen waar dat ons voor stelde: “een nieuwe technologische revolutie, volledige globalisering, nieuwe geopolitieke invloedssferen, culturele en religieuze confrontaties, onafwendbare klimaatverslechtering, grotere en meer diverse ongelijkheden, burgeroorlogen zonder einde; alles mede onder invloed van kapitalistische krachten”. Pronk analyseerde de betekenis van de sociaaldemocratie in deze veranderingen en riep op tot linkse samenwerking. Voor hem ligt de toekomst van links niet in een fusie van partijen, maar wel in gezamenlijke machtsvorming. Links wordt anders altijd uit elkaar gespeeld en kan dan alleen deel uitmaken van een regeringscoalitie op voorwaarden van rechts. En zo onvoldoende z’n stempel drukken op de toekomst.   

Ik was er vorig jaar zelf niet bij. Rond 1 mei zat ik toen nog aan de onderhandelingstafel voor een nieuwe regering, als secondant van Jesse Klaver. Daar bleek het gelijk van Pronk. Onze veertien GroenLinkse zetels waren een fantastisch resultaat, maar niet genoeg om werkelijke verandering af te dwingen bij het rechtse motorblok. Een wijze les. Bij een volgende onderhandeling moeten we met meer linkse partijen in de Stadhouderskamer zitten, maar ook met meer zetels! En ik kan u zeggen: daar werken we hard aan. De samenwerking die we nu aan het ontwikkelen zijn, in de Tweede Kamer en daarbuiten, biedt veel perspectief. We weten elkaar steeds gemakkelijker te vinden.

Maar de slagkracht van links wordt niet alleen groter door gezamenlijk op te trekken in de politieke arena. We worden sterker als we de verbinding met de samenleving maken. De kiemen voor verandering zijn duidelijk aanwezig. We zien een steeds bredere afkeer van de lichtzinnig rechtse politiek, met zijn nadruk op meer markt en minder overheid. We zien dat steeds meer mensen zich zorgen maken over de kilte en kortzichtigheid bij onze leiders. Dat zij willen bijdragen aan een samenleving gebouwd op eerlijk delen, duurzaamheid en empathie. Meer rechtvaardigheid en meer menselijkheid. In de peilingen zie je het draagvlak voor linkse politiek toenemen. De peilingen van afgelopen week laten zien dat rechts-conservatief van 77 naar 69 zetels is gekrompen. Het is de grote kans en verantwoordelijkheid voor links om die veranderingsgezindheid te stimuleren en te vertegenwoordigen. En daar hebben we organisaties als het NIVON bij nodig.

Ik wil vandaag twee onderwerpen uitgebreider bespreken. Allereerst een belangrijke waarde van progressieve politiek: gelijke zelfbeschikking. Daarna wil ik inhoud geven aan de opdracht die ik heb meegekregen voor deze speech: de toekomst van links. In dat kader heb ik ervoor gekozen, misschien wat verrassend, om een aanzet te geven tot een progressieve technologische agenda. Om de gelijke zelfbeschikking ook in dit nieuwe tijdperk te bevorderen. Ofwel: hoe links de toekomst vormgeeft.

Gelijke zelfbeschikking

Voor mij gaat links over het vergroten van de mogelijkheden voor iedereen om zijn of haar eigen leven zelf vorm te geven, en om samen de samenleving te vormen. Die zelfbeschikking, voortkomend uit de menselijke waardigheid, komt ieder mens hier in Nederland toe, maar ook mensen elders en toekomstige generaties. Dat is waar ik voor sta. Dat is ook waar de natuurvrienden voor staan.

De natuurvrienden zijn opgericht in Oostenrijk, in 1895, op initiatief van Georg Schmiedl. Als onderdeel van de beweging voor de emancipatie van arbeiders. Het leven in de fabrieken was hard. Mensen werkten vaak 75 uur, soms alle dagen van de week. Ze waren alleen bezig met overleven. Ze hadden geen tijd om na te denken, om stil te staan bij het leven dat ze leidden en de dingen die ze belangrijk vonden. Om betekenisvolle eigen keuzes te maken. Om zelf vorm te geven aan hun leven en omgeving.

Door te wandelen in de natuur en afstand te nemen van de verplichtingen van alledag kon daar ruimte voor ontstaan. Ruimte na te denken over de maatschappelijke verhoudingen. En over hoe het anders kon.

Kijkend naar Nederland, zien we dat in de afgelopen eeuw de zelfbeschikking van grote groepen enorm is toegenomen.

In haar nieuwste essay, Macht en Verbeelding, schrijft Femke Halsema dat de progressieve beweging erfgenaam is van die verandering. Van Nederland als open, tolerant en democratisch land. En dat we daar best trots op mogen zijn. Ik citeer: “Progressieven hebben vanuit vakorganisaties, sociale bewegingen en politieke partijen gelijke rechten bedongen voor arbeiders, homoseksuelen, vrouwen, migranten, psychiatrische patiënten en gehandicapten. De woningwet en de volkshuisvesting, de oudedagsvoorzieningen, de medezeggenschap en de Mammoetwet die het voor arbeiderskinderen gemakkelijker maakte om door te stromen naar het hoger onderwijs: het zijn allemaal maatregelen die de maatschappelijke verhoudingen ingrijpend en onomkeerbaar hebben veranderd.”

Vandaag, op 1 mei, vieren we het feit dat gezamenlijke strijd effectief kan zijn. Het is goed om daarbij stil te staan. Omdat we daar ook weer energie uit kunnen putten voor de veranderingen die nog nodig zijn.

Het is vandaag 132 jaar geleden dat in de Verenigde Staten een half miljoen mensen op de been kwamen om te demonstreren voor kortere werkdagen. Het was de tijd dat veel mensen tussen de 10 tot 16 uur per dag werkten, zes dagen per week. Meer dan 30 jaar later werd in Nederland de wet ingevoerd die de achturige werkdag regelt. Vandaag de dag werken mannen in Nederland gemiddeld 36 uur per week; vrouwen 26 uur.

Wie zegt dat verandering niet mogelijk is?

En wat te denken van vrouwenrechten?

Sommigen van u zullen de tijd nog hebben meegemaakt dat volwassen vrouwen handelingsonbekwaam waren. Dat zij toestemming moesten vragen aan hun man als zij kleren of apparaten wilden kopen, als zij een verzekering wilden afsluiten of op reis wilden gaan. De tijd dat vrouwen uit overheidsfuncties werden ontslagen op de dag dat zij in het huwelijk traden. Zodat ze zich volledig konden wijden aan hun taken als echtgenote, moeder en huisvrouw. Pas in 1956 zijn beide wetten afgeschaft. Maar tot 1971 moesten vrouwen bij het huwelijk wel beloven dat zij hun man zouden gehoorzamen.

Wie zegt dat verandering niet mogelijk is?

Al duurt het soms lang…

Pas 27 jaar geleden zag de wetgever onder ogen dat verkrachting binnen het huwelijk mogelijk is. Tot die tijd was gedwongen seks geen verkrachting door de man, maar ongehoorzaamheid van de vrouw om de plichten te vervullen die het huwelijk haar oplegde.

Onvoltooide emancipatie

De emancipatiebewegingen hebben Nederland onmiskenbaar veranderd. Een beter land gemaakt. Maar de emancipatie is niet voltooid. Nog steeds heeft niet iedereen evenveel kans. Sommige groepen hebben meer kansen dan anderen. Er is sprake van structurele bevoordeling en van structurele achterstelling. Dat staat gelijke zelfbeschikking in de weg.

Dat is in deze tijd van individualisering geen prettige boodschap. Ook niet eentje die altijd wordt aanvaard. Mensen gaan snel wat knorrig kijken bij zo’n tekst. Wij zien onszelf vaak niet als onderdeel van een groep. Daarvoor is iedereen te ánders. En we zien onszelf wél graag als mensen die het leven in eigen hand hebben. We geloven graag dat alles draait om het krijgen en grijpen van kansen. En dat op die manier sociale rechtvaardigheid ontstaat.

"Sociale rechtvaardigheid gaat niet alleen over kansen, maar ook over uitkomsten."

 

Ik wil vandaag twee kanttekeningen maken bij het credo van sociale rechtvaardigheid door gelijke kansen. Ten eerste wil ik laten zien dat vooroordelen vaak bepalend zijn bij zowel het krijgen als het grijpen van kansen. En ten tweede betoog ik dat sociale rechtvaardigheid niet alleen gaat over kansen, maar ook over uitkomsten. Iedereen in onze samenleving moet gevrijwaard zijn van vernedering en armoede. Voldoende mogelijkheden hebben om betekenisvolle keuzes te kunnen maken. En zeggenschap hebben over de samenleving die we samen vormen.

Om met dat laatste te beginnen.

In Nederland trekken hogeropgeleiden op vrijwel alle vlakken aan het langste eind. Zij verdienen het meest, leven het langst en in betere gezondheid, ze wonen in de beste buurten, hun kinderen gaan naar de betere scholen en ze voeren het hoogste woord in de politiek. Mensen met minder diploma’s, lagere kwalificaties, zijn vaak aangewezen op onzekere banen en kunnen de eindjes moeilijk aan elkaar knopen. Ze wonen vaker in slechtere woningen, in een omgeving met meer luchtverontreiniging, en hun gezondheid is aanzienlijk slechter.

Je zou kunnen zeggen dat deze uitkomst nu eenmaal het gevolg is van het feit dat de hoger opgeleide kinderen hun kansen goed hebben benut. Ze hebben een betere positie in het leven gekregen vanwege hun eigen merites, hun eigen verdiensten. Maar zo simpel is het niet.

In zijn boek Meritocratie: naar een nieuwe klassenmaatschappij beschrijft Mark Bovens, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht, hoe de meritocratie, het model waarbij de sociaaleconomische positie van mensen gebaseerd is op hun verdiensten, al snel erfelijke trekken krijgt. Ik citeer: “Academici trouwen met andere academici en poolen zo niet alleen hun genetisch materiaal, maar ook hun intellectuele en economische kapitaal.” Kinderen van hoger opgeleide ouders kunnen meer hulp krijgen bij huiswerk. Ze hebben gemakkelijker toegang tot stageplekken, omdat het netwerk van de ouders groter is. De portemonnee wordt getrokken voor private voorbereidingscursussen voor de centrale eindexamens. En de druk vanuit huis om hard te lopen wanneer het startschot klinkt, is groter. Hun startkansen zijn dus beter.

Bij bijna niemand komt succes aanwaaien. Maar succes is ook niet simpelweg een keuze. Dat wel zo doen voorkomen, is in het belang van de mensen met wie het goed gaat. Maar het leidt tot grote frustratie bij hen die het minder hebben getroffen. 

Voor links blijft het een opdracht om te werken aan gelijke kansen voor iedereen. Via kwalitatief hoogwaardig onderwijs, gratis voor leerplichtigen en betaalbaar voor iedereen. Door minder vroege selectie en bredere brugklassen. Door fors te investeren in de kwaliteit van het vmbo en het mbo. En door kinderopvang een basisvoorziening te maken, zodat al onze kinderen vanaf de start samen opgroeien en dezelfde stimulans krijgen. Maar dat maakt een samenleving nog niet automatisch rechtvaardig. Rechtvaardigheid vraagt ook om verhoging van de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, om meer arbeidszekerheid van laagbetaalden, om meer betaalbare woningen en om een laagdrempeliger gezondheidszorg.

In feite gaat het om de realisatie van mensenrechten. Zelfbeschikking.

Vooroordelen

Dan de tweede kanttekening die ik wil plaatsen bij de opdracht van links om te strijden voor gelijke kansen.

Wie welke kansen krijgt en grijpt, is vaak een resultaat van vooroordelen. Niet altijd van persoonlijke merites.

Laat ik gewoon een waargebeurd voorbeeld geven. Ik heb het gehoord van Marieke van den Brink, die onderzoek doet naar discriminatie op universiteiten. Zij vertelde over een Nederlandse hoogleraar, voor wie eens drie promovendi werkten: twee mannen en een vrouw. Zo rond het moment dat zij klaar waren met hun proefschrift werd de hoogleraar op de hoogte gesteld van een vacature in, ik meen, Florence. Hij informeerde onmiddellijk de twee mannen en adviseerde ze te solliciteren. Toen de vrouw dat hoorde, is zij naar hem toegegaan. “Waarom heb je mij niet verteld van de vacature? Vind je me minder geschikt?” De hoogleraar was er stil van. Toen zei hij: “Ik heb er gewoon niet aan gedacht.” Het was een internationale baan en de vrouwelijke onderzoekster had kinderen. De hoogleraar schaamde zich er achteraf voor dat hij deze keuze had gemaakt. Hij had niet bedoeld te discrimineren. Maar het eindresultaat was wel dat zij op achterstand stond. Vanwege hoe híj had bedacht dat zij haar moederschap zou moeten invullen.

Stereotype beelden beperken de kansen van vrouwen. Mijn moeder realiseerde zich dit al vroeg. Ik toen wat minder. Als puber is het niet leuk als je moeder zich opwindt over seksisme en zich verzet tegen rolpatronen. Ik vrees dan ook het ergste voor mijn kinderen nu! Maar goed, ik herinner me goed de dag dat een jongen op wie ik verliefd was bij mij huiswerk deed. Coen heette hij. Mijn moeder was naar haar werk. Toen ze rond etenstijd thuiskwam, moest er natuurlijk een beleefd praatje worden gemaakt. Achteloos vroeg Coen aan mijn moeder wat ze ging koken. Ze reageerde als door een wesp gestoken. “Waarom vraag je dat aan mij? Waarom vraag je dat niet aan haar vader?” Het was zo’n moment dat ik het feminisme zwaar overdreven vond. Wat hadden gelijke rechten nou te maken met een keertje aardig blijven als er een onschuldige vraag aan je werd gesteld?

Met terugwerkende kracht kan ik mijn moeders reactie beter begrijpen. De vraag was niet onschuldig. En zij streed mede voor mijn kansen.

Vooroordelen en sterotypering zijn er altijd geweest. En dat is ook niet gek. Het is een natuurlijke manier om ons overeind te houden in een complexe wereld. We gebruiken ze om ons snel een beeld te vormen van onbekende personen en nieuwe situaties. Denken in stereotypen is handig voor een oppervlakkige verkenning van een situatie. Maar het gaat mis als je stereotypen gebruikt om individuen te beoordelen, voor een baan (zoals in het voorbeeld daarnet) of voor een schoolkeuze. Dan leidt het tot discriminatie.

We hebben de menselijke neiging om de homogeniteit van de groepen waartoe we zelf behoren te onderschatten. We vinden onszelf enorm divers, zei ik al. Maar vervolgens óverschatten we de homogeniteit van andere groepen. “Wíj zijn allemaal anders, maar zíj zijn allemaal hetzelfde.”

Het bestrijden van structurele achterstellingen is voor links niet alleen een probleem voor de individuen die ermee geconfronteerd worden. Het is onze gezamenlijke opdracht. Omdat stereotypes ook vaak verinnerlijkt zijn. Denk aan beelden over moederschap. Of aan welke kansen binnen je bereik liggen. Voor ons gaat het er niet alleen om dat we iedereen een kans geven. Maar dat we samen een rechtvaardige samenleving maken.  

Daarin verschillen we van rechts. En zeker van premier Rutte!

Toen Rutte geïnterviewd werd door Metro-columnist Ebru Umar over wat hij leert van de jongeren die hij geschiedenisles geeft, zei hij dit: “Heel veel. Een van de dingen die ik leer, is hoe ingrijpend discriminatie is. Dat het in Nederland nog veel voorkomt en het echt uitmaakt of je Mohammed of Jan heet als je solliciteert. Ik heb daar over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik dit niet kan oplossen. De paradox is dat de oplossing bij Mohammed ligt. Ik kan tegen Nederland zeggen: ‘discrimineer aub niet, beoordeel iemand op karakter en kennis.’ Maar als het wel gebeurt, heeft Mohammed de keus: afhaken wegens belediging of doorgaan. Nieuwkomers hebben zich altijd moeten aanpassen, en altijd te maken gehad met vooroordelen en discriminatie. Je moet je invechten.”

Ik vraag me steeds af: zegt hij dat nou ook tegen vrouwen? “Je moet je invechten.”

Natuurlijk hebben en houden mensen altijd een eigen verantwoordelijkheid. Ik ben de laatste om te zeggen dat je die zomaar op een ander kan afschuiven. Maar onze premier kan wel degelijk iets doen tegen discriminatie. Vooroordelen zijn een hardnekkig en natuurlijk fenomeen; maar tegen discriminatie kun je optreden. Dat kan langs de strafrechtelijke weg, want discrimineren is strafbaar. Maar de politiek kan ook aansturen op een sociaal akkoord specifiek over dit onderwerp. Bijvoorbeeld om te zorgen dat de methoden van personeelsselectie worden verbeterd. Dat Mohammed en Fatima net zoveel kans hebben op een baan als Jelle en Marit. Dat het werkgeverschap een meer inclusieve invulling krijgt. Dat voortaan niet alleen aan aankomende moeders, maar ook aan vaders wordt gevraagd hoe zij werk en zorg willen combineren. De opmerking van de premier is lichtzinnig en dat is niet toevallig: het is een duidelijk politiek signaal. Van hem hoef je niet veel te verwachten. Wat Rutte betreft is structurele ongelijkheid geen collectief probleem, maar een zaak van individuen.

Ik kan me goed voorstellen dat hij dat wil denken. Als ik naar de premier en de leiders van de andere coalitiepartijen kijk, zie ik vier witte mannen van vrijwel dezelfde leeftijd (geboren tussen 1965 en 1969). Zij zullen gekozen zijn omdat zij voor hun partij de beste kandidaten waren. Dat werd ongetwijfeld oprecht zo gevonden. Maar als je het totale veld overziet, dan is ook duidelijk dat talenten alleen deze homogeniteit aan de top niet verklaren. Het heeft ook te maken met beelden van leiderschap, van wie je aan de top verwacht. Met structurele bevoordeling. Iedere partij (iedere werkgever wat dat betreft) is op zoek naar het schaap met de vijf poten. Een veelbelovende persoon die de nieuwe rol zal pakken. Kandidaten beginnen meestal zo’n drieënhalve poot. Voor de rest is het gissen. Zal hij of zij zich goed gaan ontwikkelen? In die grijze zone spelen beelden een grote rol. Beelden die gevormd zijn door eerdere ervaringen met anderen, uit dezelfde groep. Of stereotype beelden. “Het is een gok”, hoor je dan. Of: “Ik zie het hem doen.” Wie zich ingevochten heeft, deed dat dus niet alleen door eigen verdiensten.

Het land waar ik als links voor wil knokken, is een land waar we ieder mens zien staan. Hun individuele wensen en mogelijkheden. Een land waar het jaarcontract van vrouwen verlengd wordt, ook in geval van zwangerschap. Waar studenten met een migratie-achtergrond gewoon een stageplaats krijgen, en niet alleen bij een Turks of Marokkaans bedrijf. Waar mensen met een beperking aan de bak komen en voor hun werk betaald worden, en dan niet onder het minimumloon. Een land ook waar vrouwen een hoofddoek mogen dragen, maar dat zeker niet moeten. Waar transgenders na een transformatie weer terug naar de werkvloer kunnen en daar welkom worden geheten. En waar mensen boven de 55 ook in aanmerking komen voor bijscholing en niet vroegtijdig worden afgeschreven. Een land waar het personeelsbestand in alle gelederen zo divers is, dat mensen daadwerkelijk op hun eigen merites worden beoordeeld, in plaats van dat ze langs de dominante meetlat worden gelegd.

Met terugwerkende kracht lijkt de 1 mei-eis van een achturige werkdag van een heerlijk eenvoud. Het maakte de groep arbeiders homogeen, als een massa met eenzelfde wens.

De opdracht van nu is complex. We moeten aan de ene kant oog houden voor de structurele achterstelling van groepen, en daarop actie ondernemen. En tegelijkertijd mogen we mensen niet reduceren tot onderdeel van een ‘groep’. Zoals Hannah Arendt zei: iedereen is gelijk in zoverre dat hij/zij verschillend is. Het blijven zien en bewaken van die pluraliteit is onze opdracht. Zodat iedereen echt zelf vorm kan geven aan zijn of haar eigen leven. Hoe anders mensen dat ook willen invullen dan je had verwacht.

Zoals ik aan het begin al zei, vormt het recht op zelfbeschikking de grondslag voor mensenrechten. En die zijn natuurlijk niet alleen voorbehouden aan mensen die toevallig in Nederland wonen, in deze tijdsspanne. Ze gelden hier en daar, nu en straks. Dat is waarom de sociaaldemocratie, Pronk zei het vorig jaar al, altijd internationaal is.

"De toekomst van links zal niet alleen internationaal, maar ook groen zijn."

 

Maar gelijke rechten, kansen en bestaanszekerheid voor iedereen, daar komt niets van terecht als we de hulpbronnen van de aarde blijven verpesten en verspillen. Het is een dure plicht om de aarde goed achter te laten voor onze nakomelingen. Zoals de Duitse Groenen zeggen: “Wir haben die Erde von unseren Kindern nur geborgt.” (We hebben de aarde slechts in bruikleen van onze kinderen.)

Daarom kan ik één ding met zekerheid zeggen over de toekomst van links: die zal niet alleen internationaal, maar ook groen zijn.

Dat brengt me bij het tweede deel van mijn verhaal. Hoe vormen we die toekomst?

Technologie

We leven inmiddels in het Antropoceen, volgens veel geologen: het Tijdperk van de Mens. De mensheid is nu de voornaamste oorzaak van veranderingen in de toestand van de aarde. En de sporen daarvan, van roetdeeltjes tot radioactieve isotopen, zullen over miljoenen jaren nog terug te vinden zijn in aardlagen – als er tegen die tijd nog iemand is om geologie te bedrijven.

Technologie heeft ons in het Antropoceen gebracht. Denk aan de uitvinding van de stoommachine en van de verbrandingsmotor. Daardoor verstoken we nu in hoog tempo de voorraden kolen, olie en gas in de aardkorst die daar gedurende honderden miljoenen jaren zijn gevormd. Door alle CO2 en andere broeikasgassen die we daarmee in de atmosfeer pompen, verandert het klimaat.

Nu al ondervinden miljoenen mensen – vooral in ontwikkelingslanden - de nadelige gevolgen van klimaatverandering, van toenemende droogte tot overstromingen. Als we niet alles op alles zetten om de opwarming van de aarde te beperken, komt er van gelijke kansen voor onze nakomelingen niets terecht.

Klimaatverandering is bovendien niet de enige ramp die de aarde en haar toekomstige bewoners bedreigt. Denk ook aan de teloorgang van de biodiversiteit. Eindelijk klinkt het alarm over de achteruitgang van het aantal bijen en andere insecten die veel van onze gewassen bestuiven. Ze zijn onmisbaar voor onze voedselvoorziening. Door het versneld uitsterven van flora en fauna verliezen ecosystemen aan veerkracht. Denk ook aan de vervuiling van meren, rivieren en oceanen met stikstof als gevolg van het kwistig gebruik van kunstmest. Daardoor ontstaan er dode zones in onze wateren, met alleen maar algen en nauwelijks vissen. En denk aan al het plastic dat in het water belandt, in de resterende vissen en daarmee in onze voedselketen. We hebben de technologie lichtzinnig aangewend om een wegwerpmaatschappij te scheppen. Toekomstige generaties betalen daarvoor de prijs.

Maar technologie kan ons ook helpen om de druk op de aarde te verlichten en het Antropoceen leefbaar te houden. Groene technologie is onmisbaar bij het voorkomen van rampzalige klimaatverandering, bij de omslag naar een duurzame voedselvoorziening en bij het vinden van alternatieven voor onze eenmalige, fossiele en slecht afbreekbare plastics.

De kansen die technologie biedt voor de gelijke zelfbeschikking van toekomstige generaties, vormen de ene reden voor de noodzaak van een progressieve technologieagenda.

De andere reden is dat mijn optimisme over technologie gepaard gaat met bezorgdheid. Bezorgdheid over het feit dat de kloof tussen hoger- en lageropgeleiden vergroot dreigt te worden door robotisering. Bezorgdheid over de ondermijning van de menselijke waardigheid, als het straks zorgrobots zijn die ouderen helpen hun steunkousen aan te trekken, terwijl ze verlangen naar menselijk contact. Bezorgdheid over de manipulatie van mensen en van onze democratie, als er geen goede regels komen voor het gebruik van big data en algoritmen.

Het nadenken over ‘de toekomst van links’, zelfbeschikking in de toekomst, heeft me daarom gebracht tot een aanzet voor een technologieagenda. Het is geen kant-en-klaar politiek program. Mijn bedoeling vandaag is vooral om duidelijk te maken dat juist voor links zo’n agenda cruciaal is. Dat we erover met elkaar in gesprek moeten. Omdat we technologie en haar invloed op onze samenleving anders overlaten aan de krachten van de markt.

Technologie is een onderwerp dat binnen de vakbonden meer aandacht moet krijgen. Bij politieke partijen, van de gemeenteraad tot het Europees Parlement. Bij internationale handelsakkoorden. Het is van belang om sturing te geven. Wat willen we niet, maar ook: wat willen we wél? Politieke keuzes en maatschappelijke beweging doen ertoe. Dat hebben we geleerd van de emancipatiebewegingen van de vorige eeuw. Als links laat zien dat het weet wat het wil, voorwaarden stelt, eisen formuleert, valt te voorkomen we dat de controle kwijtraken aan het grote bedrijfsleven. Diens macht is geen natuurverschijnsel.

Dus laat ik de eerste acht punten van een progressieve technologieagenda maar noemen.

1. Links moet ijveren voor zeggenschap

Van werknemers
Ik hoorde laatst het verhaal van een zorginstelling die een aantal exemplaren van de gezelschapsrobot Zora had gekocht. Zora kan liedjes zingen en spelletjes spelen, en het idee was dat ze dat zou doen met de - overwegend demente - bewoners van de zorginstelling. Dat klinkt als een leuke toevoeging aan het dagprogramma, maar sommige zorgmedewerkers weigerden met Zora te werken. Mede uit angst dat hun banen overbodig zouden worden. Het lijkt erop dat de leiding van de instelling de personeelsleden onvoldoende heeft betrokken bij de vraag of technologie hen zou kunnen helpen om betere zorg te verlenen, en zo ja aan welke technologie zij behoefte hadden. Een gemiste kans.

Want robotisering hoeft niet alleen ten nadele van werknemers te zijn. Zwaar werk kan er minder zwaar door worden, ingewikkelde taken vergemakkelijkt. Maar om te zorgen dat technologie de kwaliteit van het werk dient, en niet simpelweg het verdienmodel versterkt, is het wel zaak dat werknemers betrokken zijn bij de keuzes. Een deel van het linkse antwoord ligt dan ook in het versterken van de zeggenschap van werknemers: welk deel van hun takenpakket vinden werknemers zo saai of zwaar dat zij het graag overdragen aan robots? En welke taken willen zij zelf uitvoeren omdat die een beroep doen op hun vakmanschap? Als het gaat om belangrijke technologische innovaties op de werkvloer, hebben ondernemingsraden nu adviesrecht. Wordt het geen tijd om dit te vervangen door een steviger vorm van zeggenschap? 

Van burgers
Technologie vraagt ook om zeggenschap van burgers. Dat geldt zeker voor groene technologie. Sommige nieuwe milieuwethouders zullen de komende weken van hun gemeenteraad ambitieuze doelstellingen meekrijgen, zoals een energieneutrale gemeente in 2030 of 2040. Dat is een helse opgave, want het betekent dat alle energie die in een gemeente wordt verbruikt ook binnen de gemeentegrenzen moet worden opgewekt, uit schone energiebronnen. Zij zullen al gauw merken dat een energieneutrale gemeente niet haalbaar is zonder windmolens neer te zetten in de gemeente. Als je alleen maar inzet op energiebesparing, zonnepanelen en geothermie, kom je er niet. Windmolens dus. Maar de inwoners kunnen zich door die molens vervreemd voelen van hun omgeving. De kans op draagvlak voor nieuwe technologie is groter als mensen bij de besluitvorming, en bij voorkeur ook de opbrengst, betrokken zijn.

Laat ik als voorbeeld het Friese dorp Reduzum geven. Daar draait al meer dan twintig jaar een windmolen, op initiatief van inwoners. Met de stroomopbrengst worden voorzieningen voor de dorpsgemeenschap gefinancierd. Saillant is dat de mensen in Reduzum de verouderde dorpsmolen graag willen vervangen door een nieuwe, hogere molen. Maar dat het nu eens de overheid is, in dit geval de provincie, die dwarsligt.

Reduzum heeft van z’n windmolen een gemeengoed gemaakt. De molen is van iedereen en draagt bij aan verbinding tussen mensen. Tegenwoordig wordt dat een commons genoemd.

De kracht van commons is dat deze mensen aanspreken op hun vermogen om samen te werken met anderen aan gemeenschappelijke doelen, en niet louter op de zucht naar financieel gewin of op abstracte solidariteit. De warmte die daarvan uitgaat is een noodzakelijke aanvulling op de soms wat kille linkse idealen van vrijheid en gelijkheid. De commons zijn de eigentijdse invulling van broederschap. Om de greep van mensen en gemeenschappen op de ontwikkeling en invoering van nieuwe technologie te versterken, is zo’n commons-benadering van groot belang.

Het past overigens ook goed bij het NIVON en de internationale natuurvrienden. Het sociaal toerisme werd eind 19e eeuw bedreigd door de privatisering van bossen en berggronden. Het grootgrondbezit rukte op. En de natuurvrienden verzetten zich daartegen. De groet van de natuurvrienden vindt zijn oorsprong in die strijd. Als je elkaar tegenkwam in de Oostenrijkse bergen, zeiden leden van de conservatieve Alpenvereniging: “Berg Heil.” Maar dan lieten de natuurvrienden luidkeels van zich horen, met “Berg Frei!”

2. Links moet strijden voor herverdeling

Eerder had ik het over de verantwoordelijkheid die we hebben om te zorgen voor gelijke kansen én voor sociale rechtvaardigheid. En over de groeiende kloof tussen hoger- en lageropgeleiden. Door robotisering en andere vormen van kunstmatige intelligentie kan die kloof worden vergroot. Het is niet zeker hoe de ontwikkeling uitpakt.

Er zullen ook nieuwe banen ontstaan. Functies als app-ontwikkelaar of webcaremedewerker bestonden tien jaar geleden nog niet. En er zullen meer mensen nodig zijn voor het onderhoud van alle geavanceerde apparaten. Tegelijkertijd zie je dat de banen die verdwijnen, vooral die van laagopgeleiden zijn of van de lagere middenklasse. Denk aan de bezorging van medicijnen op Schiermonnikoog met een drone. De apotheker is nog wel in dienst, maar de bezorger niet meer. Denk aan accountants van wie het werk overgenomen kan worden door algoritmen. En denk aan de machinisten die vroeger in de Rotterdamse haven op de bok van de kranen zaten. Zij zijn inmiddels vervangen door mensen die vanuit een kantoor toezicht houden op geautomatiseerde kranen.

Onderwijs en omscholing zijn belangrijk om mensen voor te bereiden op nieuwe banen. Maar we zullen ook afspraken moeten maken om de sociale gevolgen van robotisering goed op te vangen. Bijvoorbeeld door de invoering van kortere werkweken. Daarbij moeten we misschien wat minder aan generieke regels denken, maar aan maatwerk. Anders groeit niet alleen de financiële ongelijkheid, maar ook de boosheid van mensen die zich aan de kant gezet voelen, en niet gewaardeerd.

Hoe kunnen we de solidariteit betalen? Als de bedrijfswinsten groeien, doordat nieuwe technologie vooral wordt ingezet om het personeelsbestand in te krimpen, komt de rijksbegroting onder druk. Inkomen uit kapitaal wordt immers veel minder belast dan inkomen uit arbeid. Steeds minder mensen in loondienst zullen steeds hogere lasten moeten opbrengen. Het is dan ook noodzakelijk om kapitaal zwaarder te belasten. In dat kader valt het voorstel van de Europese Commissie voor een belasting voor webgiganten toe te juichen. Bedrijven als Facebook en Google weten nu grotendeels te ontsnappen aan belastingheffing.

We moeten, wat mij betreft, ook het robotdividend onderzoeken. Het is een idee waar Bill Gates van Microsoft zich al vierkant achter heeft geschaard. Hij zei vorig jaar: “Als een menselijke werknemer nu voor bijvoorbeeld 50.000 dollar werk doet in een fabriek, wordt dat belast met inkomstenbelasting, sociale premies, enzovoort. Als een robot hetzelfde werk doet, zou die robot op een vergelijkbare manier belast moeten worden.” Laat links deze mogelijkheid verder uitwerken.

Een betere verdeling van de lusten en lasten is ook nodig bij de technologische veranderingen waar het klimaat om vraagt. Zowel in eigen land als daarbuiten. We vragen ontwikkelingslanden om mee te helpen aan de oplossing van een probleem dat zij zelf niet hebben veroorzaakt. We vragen hun om uit de armoede te groeien met zo min mogelijk uitstoot van broeikasgassen, om in één keer de sprong te maken van geen elektriciteit naar duurzame elektriciteit. Dat zijn forse investeringen, en daar moeten we een veel ruimhartiger steun tegenover stellen.

Ook in Nederland dreigen de grootste klimaatvervuilers, de zware industrie en de stroomproducenten, het minst te gaan betalen voor de veranderingen die nodig zijn om de opwarming van de aarde tegen te gaan, en de rekening bij huishoudens te leggen. Dat is onaanvaardbaar. Zoals Jesse Klaver altijd zegt: we heten niet voor niets GroenLinks. Als we draagvlak willen houden voor vergroening, moet het bedrijfsleven substantieel meebetalen.

Daarmee raak ik aan het volgende punt van de agenda:

3. Links moet sturen op duurzaamheid

Technologie heeft ons de klimaatcrisis gebracht en vormt tegelijk een onmisbaar onderdeel van de oplossing, zo zei ik al. Dat onderstreept dat de politiek de taak heeft om technologische innovatie op het pad van duurzaamheid te zetten. Strengere milieunormen en hogere milieuheffingen voor bedrijven helpen daarbij, net als duidelijke langetermijndoelen. Als de Klimaatwet die GroenLinks samen met andere partijen heeft ingediend wordt aangenomen, weet het bedrijfsleven dat het de politiek menens is met het halveren van onze uitstoot van broeikasgassen in 2030. Bedrijven die tot de winnaars van de energietransitie willen behoren, moeten dan aan de bak met groene innovatie.

4. Links moet opkomen voor privacy

De digitalisering van de samenleving maakt het steeds goedkoper en gemakkelijker om persoonlijke gegevens over mensen te verzamelen, op te slaan en te analyseren.

Daar kunnen hele goede bedoelingen achter zitten. Maar het datagraaien door overheden en bedrijven zet onze privacy wel op het spel. Steeds meer mensen worden zich daarvan bewust, zo zagen we bijvoorbeeld bij de verwerping van de Sleepwet tijdens het referendum in maart en bij de ophef over de manipulaties door Facebook.

Toch trekken ook nog veel mensen hun schouders op bij het woord privacy. “Ik heb toch niets te verbergen”, zeggen ze dan. Dat is natuurlijk een twijfelachtige stelling; je koopgedrag, je medische gegevens, je seksleven, mag iedereen dat weten? Maar belangrijker is dat de stelling “ik heb niets te verbergen” getuigt van een groot vertrouwen in de overheid en in medeburgers. Dat vertrouwen is een groot goed. Het is ons belangrijkste maatschappelijke kapitaal. Het is een voorwaarde voor linkse politiek, die een beroep doet op solidariteit. De overheid moet dat vertrouwen koesteren, niet beschamen.

"Uit een samenleving waarin iedereen zich voortdurend gemeten weet en bespied voelt, vloeit de intimiteit weg, de creativiteit, de diversiteit en het onderlinge vertrouwen."

 

Het hoeft je maar één keer te overkomen dat je gezin op basis van de schoolresultaten van je kinderen, je woonadres en je Facebookvrienden tot probleemgezin wordt bestempeld, of het vertrouwen in de overheid is weg. Met het verzamelen, combineren en analyseren van persoonsgegevens - ook al gebeurt het met de beste bedoelingen - moeten overheden dus zeer terughoudend zijn. Big data mag niet leiden tot Big Brother. Uit een samenleving waarin iedereen zich voortdurend gemeten weet en bespied voelt, vloeit de intimiteit weg, de creativiteit, de diversiteit en het onderlinge vertrouwen.

Digitalisering raakt niet alleen aan privacy, maar ook aan andere fundamentele vraagstukken rondom discriminatie, machtsverhoudingen, autonomie en menselijke waardigheid. Het Rathenau Instituut heeft hier vorig jaar een prachtig rapport over gepubliceerd. Het laat daarin zien dat we als samenleving onvoldoende toegerust zijn om onze publieke waarden te beschermen. De opdracht is groot en moeilijk. Afgelopen zondag hoorde ik op televisie een commentator zelfs zeggen: “Het is toch al te laat om de macht van partijen als Facebook te begrenzen.”

Maar daar kan de progressieve beweging, die vanouds opkomt voor de zelfbeschikking van mensen, toch geen genoegen mee nemen? We moeten samen de kaders zetten, op lokaal, nationaal, Europees en internationaal niveau, die ervoor zorgen dat mensen greep houden op technologie en de rol van technologie in hun leven.

5. Links moet Europese sociale media en zoekmachines stimuleren

Data en software beïnvloeden ons gedrag en onze beslissingen. Het zijn de grondstoffen van onze moderne economieën. De afgelopen jaren zijn we ons bewuster geworden van het feit dat manipulatie van deze grondstof ernstige gevolgen heeft voor vrije verkiezingen. Het zet onze democratieën onder druk, en stelt ons daarmee voor serieuze problemen. Maar hoe voorkomen we deze manipulatie?

Op datagebied hebben maar twee landen echt de macht: de VS en China. De Europese Unie zit niet aan de knoppen, maar heeft wel reactief een vuistje gemaakt. Op 25 mei wordt de nieuwe Europese privacyverordening van kracht, die zorgt voor een betere bescherming van onze persoonlijke levenssfeer. En het moet gezegd: daar zitten interessante innovaties in, zoals het recht op vergetelheid. Oftewel het recht om je data te laten verwijderen. Maar het effect van deze wetgeving is beperkt, en zal het businessmodel van Google en Facebook niet ernstig aantasten.

Daarvoor zouden we moeten investeren in een serieus alternatief. Niet landje voor landje, maar Europees. Zoals Caroline de Gruyter schreef in NRC: “De vraag is: geven we de sleutelrol aan bedrijven, zoals in Amerika, of aan de staat, zoals in China? Of is er een tussenvorm te bedenken, een ‘neutrale’ openbare, digitale ruimte met sterke privacyregels, waarin burgers Europese zoekmachines en sociale media kunnen gebruiken zonder meteen de hijgende commercie of een opdringerige staat op hun dak te krijgen? Zoiets is mogelijk. Het past perfect in een tijd vol debatten over doorgeschoten privatisering en een nieuwe balans tussen bedrijfsleven en staat. Het enige wat we moeten doen, is ophouden met klagen en in actie komen.”

Het komende jaar zal in de Europese Unie onderhandeld worden over een nieuwe meerjarenbegroting. Dat is een mooi moment om de linkse partijen te mobiliseren voor het vrijmaken van innovatiegelden voor de ontwikkeling van eigen Europese sociale media en zoekmachines.

6. Links moet het recht op menselijk contact verdedigen

Een zorgrobot die vergeetachtige ouderen helpt om langer zelfstandig te kunnen wonen, in hun vertrouwde omgeving, door hen te vertellen wanneer zij hun medicijnen moeten nemen, door hen te herinneren aan doktersafspraken, door regelmatig een videogesprek te regelen met familieleden, door hulpverleners te waarschuwen als er iets mis is, zo’n zorgrobot wil ik wel hebben als ik hoogbejaard ben.

Een zorgrobot die mijn steunkousen aan- en uittrekt, op elk gewenst moment, dat ligt bij mij al wat ingewikkelder. Misschien ben ik blij met de autonomie die dat geeft, misschien mis ik het dagelijkse gesprekje met een thuiszorgmedewerker die langskomt voor hulp bij de steunkousen. (De Kletskous, noemen ze zo’n medewerker in Zwolle. Goede naam.)

Niet alles wat kan is ook wenselijk. En mensen hebben verschillende grenzen. We moeten ervoor waken dat onze menselijke waardigheid in het geding komt. Een van de vernieuwende voorstellen van het eerdergenoemde Rathenau Instituut is de toevoeging van een nieuw mensenrecht: het recht op betekenisvol menselijk contact.

In een sociale samenleving hebben we recht op de hulp, aandacht en compassie van anderen wanneer we zorg nodig hebben. Andersom geldt dat zorgen voor anderen een essentieel element is van wat het betekent om mens te zijn. Dat deel van ons mens-zijn kunnen we niet uitbesteden aan robots.

Bovenal blijft het recht van iedereen staan om zelf vorm te kunnen geven aan het eigen leven. Om nog steeds betekenisvolle eigen keuzes te kunnen maken, zelfs als onze bewegingsruimte beperkt is. Die zelfbeschikking komt ons mensen toe.

7. Links moet kiezen voor menselijke controle en transparantie van algoritmen

Steeds vaker zijn we onderworpen aan belangrijke beslissingen via algoritmen. Een algoritme is, simpel gezegd, een serie instructies van het type: ‘als dit, dan dat’. Algoritmen worden steeds vaker uitgevoerd door computers. Ze worden geperfectioneerd met behulp van grote hoeveelheden gegevens: big data.

China gaat daarin het verst. In 44 steden wordt daar nu geëxperimenteerd met het zogenaamde ‘sociaal kredietsysteem’, dat in 2020 over het hele land zal worden uitgerold. Mensen krijgen punten voor hun kredietgeschiedenis, voor het nakomen van verplichtingen, voor hun respect voor autoriteiten, voor hun vriendschappen en voor hun gedrag. In Shanghai verliezen volwassen kinderen kostbare punten als zij niet goed voor hun bejaarde ouders zorgen. Jinan trekt extra punten af als de hond niet is aangelijnd. Een slechte score kan ertoe leiden dat je geen bedrijf mag beginnen, maar ook dat je kinderen niet worden toegelaten tot bepaalde scholen. Angstaanjagend.

Volgens de Chinese autoriteiten is het doel nobel. De overheid wil ervoor zorgen dat de maatschappij wordt gezuiverd van oneerlijkheid, en dat mensen die het moeilijk hebben op tijd worden opgespoord en geholpen.

In Europa loopt het zo’n vaart niet. Maar er wordt wel gebruik gemaakt van algoritmen om risicogroepen te identificeren, van potentiële uitkeringsfraudeurs tot probleemgezinnen. Dit is een hellend vlak. Laten we er in ieder geval voor zorgen dat een menselijke beoordelaar alle relevante informatie en factoren altijd heeft gewogen, voordat tot actie wordt overgegaan. Alleen dan kan een overheid ook rekenschap afleggen over zo’n besluit.

Als we gaan leunen op slimme, zelflerende algoritmen, wordt het helemaal griezelig. Dat is het moment dat de overheidsbesluitvorming een black box wordt, dat geen ambtenaar of politicus meer kan uitleggen waarom de computer een bepaald besluit genomen heeft. Omdat ze zelf de afweging dan ook niet meer kennen. Dan kan de burger zich dus ook niet meer verdedigen, door de argumenten van de overheid te weerleggen. “De computer zegt het nu eenmaal”, zo’n opstelling van de overheid is in strijd met het recht op behoorlijk bestuur, op een eerlijk proces, op menselijke waardigheid en een hele reeks andere grondrechten. Dat moet een links mens niet willen. Een rechts mens trouwens ook niet.

Menselijke controle over technologie, human in command, dient ook te betekenen dat overheden en bedrijven veel transparanter worden over algoritmen. Voor welke besluiten gebruiken zij die, op grond van welke persoonsgegevens en met welke criteria? Hoe voorkomen zij dat er vooroordelen tegenover bepaalde groepen in de algoritmen sluipen? Is er sprake van menselijke tussenkomst? Als algoritmen om een bijzonder dringende reden toch geheim moeten blijven, dienen ze tenminste getoetst te worden door een speciaal college, bijvoorbeeld om te voorkomen dat door de algoritmen gediscrimineerd wordt.

8. Links moet kritisch denken stimuleren

Utopisch denken is belangrijk, maar je moet utopieën nooit blind najagen. Dan is er een grote kans op ongelukken. Evenzo moeten we ons rekenschap geven van het feit dat technologie altijd onbedoelde effecten heeft. Wie had tien jaar geleden voorspeld dat sociale media voor veel mensen de belangrijkste nieuwsbron zouden worden, dat zij het favoriete kanaal zouden worden voor de verspreiders van nepnieuws? Dat zij ons zouden opsluiten in filter bubbles vol gelijkgestemden? Vroeger had je recht op een eigen mening. Nu heb je kennelijk recht op je eigen realiteit! Soms denk ik: konden we maar terug van Facebook naar Hyves. De kindertijd van de sociale media, wat een heerlijke periode van onschuld was dat.

Ook vandaag de dag worden er technologieën ontwikkeld die ons leven gaan veranderen. Denk aan fotonica: chips die niet op elektriciteit werken maar op licht. Denk aan quantumcomputers, die vele malen krachtiger zullen zijn dan de huidige computers. Denk aan de nanotechnologie, die ons machientjes belooft die dunner zijn dan een haar en in ons lichaam weefsels kunnen repareren. Deze sleuteltechnologieën kunnen zorgen voor doorbraken op het gebied van duurzaamheid en volksgezondheid. Het is zeer terecht dat Nederland en Europa daarbij een rol willen spelen. Maar tegelijk moeten we nu ons al afvragen wat de schaduwzijden kunnen zijn van deze innovaties.

Gelukkig hebben we in Nederland veel filosofen en kunstenaars die lastige vragen stellen over de wisselwerking, ja zelfs de versmelting tussen mens en techniek. Hun verbeeldingskracht kan ons helpen om de onbedoelde effecten van technologische innovaties beter te voorzien en tijdig bij te sturen. Laten we hun een vaste rol geven bij de ontwikkeling van technologie. Het zal ons sterker maken.

Die kritische houding moeten we ook bij onze kinderen stimuleren. Het is goed dat scholen steeds meer inzetten op het vergroten van technologische kennis. Onze kinderen zullen het coderen en programmeren nodig hebben. Maar we moeten tegelijkertijd hun technologisch burgerschap stimuleren. Hun bewuster maken van de ethische dilemma’s die de inzet van technologie met zich meebrengt. Van de impact van technologie op ons leven en onze samenleving. Van de machtsverhoudingen.

En daarin spelen ook organisaties zoals het NIVON een rol. Ik zei het eerder: ctiviteiten voor en door jongeren zijn ongelooflijk belangrijk voor het ontwikkelen van eigen initiatief, creativiteit, verbeelding, empathie en een fiks portie recalcitrantie. Eigenwijze burgers maken de samenleving wijzer.

Deze technologieagenda voor links is nog lang niet compleet. Ik heb het niet gehad over medische en biotechnologie; over open standaarden, open source en open data; over netneutraliteit; over cybercrime, killer robots en digitale oorlogsvoering; over de veerkracht van onze infrastructuur nu die steeds sterker gedigitaliseerd raakt. Maar ik hoop dat ik duidelijk heb gemaakt dat de politiek van links ook een technologiepolitiek moet omvatten, veel sterker dan nu het geval is.

Tot slot

Ik ben mijn verhaal begonnen, in de traditie van 1 mei, met een pleidooi voor gelijke zelfbeschikking. De strijd tegen uitbuiting, onvrijheid, achterstelling en discriminatie is onverminderd actueel, binnen en buiten Nederland.

"We moeten voorkomen dat het streven naar gelijke zelfbeschikking in de geschiedenis van de mensheid niet meer zal zijn dan een een utopische opflikkering aan het einde van het Holoceen."

 

In het Antropoceen kunnen we niet langer over vrijheid en gelijkheid praten zonder het ook over de toestand van onze leefomgeving, van onze aarde te hebben. Links zal groen zijn of zal niet zijn. Een snelle verduurzaming van de wijze waarop we produceren en consumeren is noodzakelijk om te voorkomen dat het streven naar gelijke zelfbeschikking in de geschiedenis van de mensheid niet meer zal zijn dan een voetnoot: een utopische opflikkering aan het einde van het Holoceen. Het Antropoceen, dat we nu betreden, kan immers heel anders aflopen: met het recht van de sterkste, met ‘redden wie zich redden kan’ en met ‘na ons de zondvloed’. Dat is de wijze waarop iemand als president Trump tegen mondiale armoede en klimaatverandering aankijkt. Niet voor niets wordt hij wel de eerste demagoog van het Antropoceen genoemd.

Technologie is een deel van het probleem, zo heb ik betoogd. Of het nu gaat om klimaatverandering of de ondermijning van de democratie. Maar technologie is ook een onmisbaar deel van de oplossing. Technologie is mensenwerk. We kunnen technologische ontwikkeling dus sturen, zeker als we waakzaam zijn voor haar onbedoelde effecten, als we blijven bijsturen. Maar om te kunnen sturen en bijsturen, moeten we weten waar we heen willen met technologie. Als we als linkse beweging willen dat technologie bijdraagt aan gelijke zelfbeschikking, aan de realisatie van onze mensenrechten, voor ons en voor onze nakomelingen, moeten we ons er veel nadrukkelijker mee gaan bemoeien. Vandaar mijn pleidooi voor een progressieve technologieagenda.

Een agenda bevat afspraken met de toekomst, dus u mag erop rekenen dat mijn politieke werk in de komende jaren ook technologiepolitiek zal omvatten. De constructieve én kritische houding die ik in mijn NIVON-tijd geleerd heb, zal ik daarbij niet laten varen, maar hard nodig hebben.

Hartelijk dank.

Tweede Kamerlid voor GroenLinks.
Alle artikelen

Reactie toevoegen