20 jun 2017

Duurzaamheid vraagt om meer gelijkheid

Interview met Ingrid Robeyns

Lourens Alma Tadema, ‘De rozen van Heliogabalus’, 1888.

Klimaatverandering en ongelijkheid staan niet los van elkaar, stelt Ingrid Robeyns, hoogleraar filosofie en ethiek aan de Universiteit Utrecht. De gedragsverandering richting ecologisch duurzame levensstijlen kan alleen plaatsvinden als ook de sociaaleconomische ongelijkheid wordt aangepakt.

De vraag naar de ethische uitdagingen rond klimaatverandering is een verkeerde vraag, vindt Robeyns. Klimaatverandering is op zichzelf een ethisch vraagstuk. We doen een beroep op natuurlijke hulpbronnen en op de diensten van ecosystemen, maar de hulpbronnen zijn schaars en de opnamecapaciteit van de atmosfeer is begrensd. Zo bekeken is klimaatverandering een verdelingsvraagstuk. Het gaat om de vraag: wie krijgt wat, nu en in de toekomst?

Daarbij is klimaatverandering ook een rechtvaardigheidsvraagstuk. Klimaatverandering leidt tot conflicten en hongersnoden. Degenen die de meeste schade ondervinden zijn niet de veroorzakers en de veroorzakers merken minder van de nadelige effecten.

Eerlijke verdeling

De vraag wat een eerlijke verdeling van natuurlijke hulpbronnen is, kun je op verschillende manieren beantwoorden, stelt Robeyns. Eerst moet je bepalen hoeveel er te verdelen is. Zo zijn er politieke afspraken gemaakt over de hoeveelheid broeikasgassen die we tussen nu en 2050 nog in de atmosfeer mogen brengen met onze economische activiteiten. Volgens het klimaatverdrag van Parijs moet de wereldwijde temperatuurstijging beperkt blijven tot twee graden. Als we die afspraak respecteren, weten we hoeveel CO2 er nog mag worden uitgestoten. Een voor de hand liggende aanpak is dan om wat er nog over is aan CO2-budget eerlijk te verdelen over alle mensen die nu leven en de mensen die zullen leven tussen nu en het moment, rond 2050, dat onze economie CO2-neutraal moet zijn. Dit betekent dat we per jaar nog rond de tien à twintig procent van de broeikasgassen mogen uitstoten die we nu uitstoten, wereldwijd. We moeten dan dus per direct tachtig tot negentig procent inleveren op onze huidige uitstoot. Dat is dramatisch.

Een andere verdeelsleutel gaat ervan uit dat de geïndustrialiseerde landen die zo sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen meer CO2 mogen uitstoten, omdat op andere plekken in de wereld nog nauwelijks fossiele brandstoffen worden gebruikt en die afhankelijkheid dus kleiner is. Op die plekken zou een sprong gemaakt kunnen worden van geen elektriciteit naar volledig klimaatneutrale elektriciteit, waardoor men geen aandeel in het mondiale CO2-budget nodig heeft. Robeyns is kritisch over deze redenering, omdat een CO2-budget ook nodig is voor voedsel, kleding of het aanleggen van wegen. Dus ja, ik denk dan, dat is een mooie manier om je eronderuit te praten, maar het is geen overtuigende reden waarom geïndustrialiseerde landen recht hebben op méér.

Je zou ook het tegengestelde kunnen beargumenteren: wij in de geïndustrialiseerde wereld hebben al heel veel CO2 uitgestoten en daarom mogen we geen hap meer nemen uit het resterende mondiale CO2-budget. We geven dat budget aan de landen die zich nog moeten ontwikkelen. Eventueel mogen rijke landen emissierechten kopen bij arme landen. In dat geval hoop ik dat de ontwikkelingslanden goede onderhandelaars zijn en er een fikse prijs voor vragen.

Maar ook bij deze aanpak heeft Robeyns haar twijfels. Het zou betekenen dat ik kan blijven vliegen voor mijn vakantie en gewoon mijn klimaatschuld afkoop. Tegelijkertijd denk ik ook, gezien de traagheid van het proces om iets te doen tegen klimaatverandering, dat alle beetjes helpen.

Geen groen zonder rood

Het ideale pad naar een ecologisch duurzame samenleving is dat we enerzijds zoveel mogelijk proberen om ons eigen gedrag aan te passen en anderzijds de schade compenseren voor zover die onvermijdelijk is. Daarbij onderscheidt Robeyns een individuele en een politieke verantwoordelijkheid. Individuele duurzame keuzes, bijvoorbeeld om geen vlees meer te eten, worden makkelijker als de overheid negatieve externaliteiten internaliseert in de prijs van goederen en diensten. Dat wil zeggen dat de schade aan het milieu of de maatschappij wordt doorberekend in de prijs. Het is absurd dat je veel goedkoper kunt vliegen naar Londen dan dat je er met de trein heen kunt. Bovendien is het onrechtvaardig. Kijk, het slechtst mogelijke scenario is dat de overgrote meerderheid van de bevolking zonder scrupules blijft vliegen, vlees blijft eten en enorm veel spullen blijft kopen. Dit is kwalijk. Het is evident dat we nu al jaren boven onze legitieme levensstandaard leven.

Ingrid Robeyns

Maatschappelijke verandering is dus onontkoombaar. Om die verandering in gang te zetten, moeten we de discussie over duurzaamheid anders voeren, volgens Robeyns. Als we nu zeggen dat de CO2-uitstoot per direct met tachtig tot negentig procent naar beneden moet, dan is de kans groot dat dat mensen verlamt. Een oplossing moet dus komen in kleine stapjes, waarbij de overheid die stapjes stimuleert op een rechtvaardige en navolgbare manier.

Onder de kiezers bestaan enorme verschillen. Voor de relatief welvarende kiezer betekent klimaatbeleid het inleveren van luxe. Maar als je al heel krap zit en jou wordt verteld dat je een hogere prijs moet bepalen voor voedsel of transport, dan vraag je je af hoe je dat voor elkaar moet krijgen. Het klimaatvraagstuk hangt om die reden onlosmakelijk samen met het vraagstuk van sociaaleconomische ongelijkheid. Dat maakt het dubbel uitdagend. Politici zouden zich ervan bewust moeten zijn dat de gewenste gedragsverandering richting ecologisch duurzame levensstijlen, tegen een achtergrond van grote ongelijkheid, alleen maar kan slagen ze ook de sociaaleconomische en dus financiële ongelijkheid verminderen, aldus Robeyns. Geen groen zonder rood.

Ecologische limieten

In haar eigen onderzoek richt Robeyns zich op de vraag wat rechtvaardige ecologische en economische limieten zijn. Het is opvallend dat als we spreken over sociaaleconomische ongelijkheid, de discussie zich verengt tot wat armoede is en hoe deze kan worden bestreden. Niemand buigt zich over de vraag wat rijkdom is. De rijken, die bestuderen we dus niet.

Toen ik me begon te verdiepen in klimaatvraagstukken merkte ik dat veel klimaatwetenschappers spreken over bovengrenzen aan het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de uitstoot van broeikasgassen. Maar zij zitten in een soort niche. Van deze ecologische limieten is weinig terug te vinden in de hedendaagse politieke filosofie. Juist politiek filosofen moeten hier ook over nadenken, omdat er heel veel veronderstellingen liggen onder de aanname dat mensen recht hebben op steeds meer vermogen. Dit recht moet, tegen de achtergrond van klimaatverandering en sociaaleconomische ongelijkheid, worden herzien.

Politici moeten inzien dat klimaatverandering een ethisch probleem is en niet alleen een technisch probleem, vindt Robeyns. De politiek moet niet langer de kop in het zand steken, maar prioriteit geven aan klimaatmaatregelen. Ook als we daarvoor door een zure appel heen moeten bijten. Deze maatregelen moeten verder gaan dan lokale en technische oplossingen. Met alleen zonnepanelen op onze daken gaan we de wereld niet redden. Er moeten ook structurele veranderingen plaatsvinden over een breed spectrum: van het invoeren van prijsmechanismen, zoals groene belastingen, tot het aanstellen van een ombudsman voor toekomstige generaties. Zo blijven klimaatvraagstukken op de politieke agenda, ongeacht welke coalitie er zit.

Verder lezen: Ingrid Robeyns, Freedom and Responsibility - Sustainable Prosperity through a Capabilities Lens, essay, april 2017

 

The Value Web, plenary scribing World Forum on Enterprise & the Environment, 2010. CC BY 2.0

Sociaal wetenschapper. Onderzoeker Antropoceen.
Alle artikelen