10 okt 2013

Een sociaal Europa?

(helaas) niet meer dan een utopie

Het Europa dat GroenLinks voorstaat, is van ons allen en is er voor ons allen. Hiertoe moet de Europese Unie (EU) wel hervormd worden. De maatregelen waarmee GroenLinks dit doel wil bereiken, zijn echter onrealistisch. Dat maakt het - helaas - waarschijnlijk dat het sociale Europa niet meer dan een utopie blijft. 

Titels van verkiezingsprogramma's zijn vaak niet veel meer dan holle frasen. Ze bekken leuk, maar dekken de inhoud van het programma nauwelijks. Dat is niet het geval bij Ons Europa, het conceptprogramma van GroenLinks voor de Europese verkiezingen van volgend jaar. Het Europa dat GroenLinks voorstaat, is van ons allen en is er vóór ons allen. Hiertoe moet de Europese Unie (EU) wel hervormd worden. Om Europa van ons allen te maken, pleit GroenLinks voor een democratischer EU, onder meer met grensoverschrijdende (correctieve) referenda. Het Europa van GroenLinks moet een sociaal Europa worden, met meer solidariteit en minder ongelijkheid. Helaas is het waarschijnlijk dat dit sociale Europa niet meer dan een utopie blijft, niet in de laatste plaats door de maatregelen waarmee GroenLinks dit doel wil bereiken. 

Gaat een Europees stabiliseringsfonds werken?

Te beginnen met het plan een Europees stabiliseringsfonds op te richten. Als we voor het gemak even vergeten dat dit voorstel op weinig steun van vooral de Noordelijke EU-landen zal kunnen rekenen, dan is een eerste vraag hoe dit uitgevoerd moet worden. Het idee van het stabiliseringsfonds is dat geld wordt overgeheveld van landen met hoge groei naar landen in een recessie, zo is te lezen in het verkiezingsprogramma. Concreter moeten landen met afnemende werkloosheid aan het fonds bijdragen terwijl landen met oplopende werkloosheid er aanspraak op doen. Voorbeelden in het verkiezingsprogramma zijn de Spaanse huizenboom en de hoge Duitse werkloosheid tussen 2000 en 2007. Gesteld wordt dat het fonds de oververhitting van de Spaanse economie zou hebben voorkomen en de Duitse werkloosheid binnen de perken had gehouden. Hierbij zou Duitsland netto-ontvanger zijn geweest en Spanje nettobetaler; een situatie die vandaag de dag omgekeerd zou zijn. Als het inderdaad zo zou werken, zou dit fonds voor meer solidariteit binnen de EU kunnen zorgen. 

Maar zo werkt het niet. Om bij de voorbeelden uit het verkiezingsprogramma te blijven, ja, Spanje kende een relatief hoge reële economische groei tussen 2000 en 2007 (tussen 2,7 en 5,5% per jaar). De werkloosheid was in het overgrote deel van deze periode echter meer dan 10% en bedroeg zelfs in het "beste" jaar – 2007 – nog 8,5%. In Duitsland bleef de gemiddelde reële economische groei weliswaar achter in de periode 2000-2007, maar was alleen in 2003 negatief (minus 0,4%). De Duitse werkloosheid nam in deze periode toe, maar bleef lager dan de Spaanse werkloosheid. Het lijkt me dan ook sterk dat Spanje in deze periode bereid zou zijn geweest tot het zijn van netto-betaler aan een Europees stabiliseringsfonds. 

Gevaar van moral hazard

Bij het door GroenLinks voorgestelde Europese stabiliseringsfonds ligt ook moral hazard op de loer. Dit is het gegeven dat mensen (of regeringen van landen) minder voorzichtig zijn als het risico van hun daden is afgedekt, bijvoorbeeld door een verzekering. Het voorgestelde stabiliseringsfonds dekt niet alleen het risico van oplopende werkloosheid voor landen af, maar straft tevens die landen waarin de werkloosheid daalt. Deze combinatie maakt het wel erg aantrekkelijk voor regeringen om (te) weinig te doen om de werkloosheid aan te pakken. Vermoedelijk verwacht GroenLinks hier een rol voor de Europese Centrale Bank, die volgens het verkiezingsprogramma naast prijsstabiliteit werkgelegenheid als hoofddoelstelling moet gaan krijgen. Het gelijktijdig beperken van inflatie en het stimuleren van werkgelegenheid zijn echter lastig – zo niet onmogelijk – te verenigen doelstellingen, in elk geval op de korte termijn. 

En zijn mensen bereid om bij te dragen aan een stabiliseringsfonds?

Een ook niet te verwaarlozen vraag is of mensen bereid zullen zijn bij te dragen aan het voorgestelde stabiliseringsfonds, ofwel te betalen voor inwoners van een ander land. Er is een omvangrijke literatuur die onderzoekt welke groepen mensen worden gezien als het meest rechthebbend (deserving) op een uitkering, ofwel een bijdrage. Een consistente bevinding, die opgaat voor heel verschillende landen, is dat de mate van recht hebben op een uitkering hoger is (1) naarmate iemand minder controle heeft over de hulpbehoevendheid; (2) naarmate de behoefte aan een uitkering hoger is; (3) als de ontvangers tot de "eigen groep" behoren; (4) als de ontvanger dankbaar is voor de uitkering en goed meewerkt; en (5) naarmate de kans hoger is dat de ontvanger later een bijdrager zal worden (reciprociteit). Als we deze bevinding vertalen naar het Europese stabiliseringsfonds, dan is het onwaarschijnlijk dat mensen het gerechtvaardigd vinden dat "hun" geld naar het buitenland wordt overgeheveld. Zo worden werklozen gezien als het meest in controle over hun hulpbehoevendheid. Deze opvatting wordt naar beneden bijgesteld als het economisch slecht gaat. Maar de mensen die hun geld zien verdwijnen, bevinden zich juist in economisch gunstige omstandigheden. Ook behoort de ontvanger niet tot de "eigen groep", hoezeer sommige Eurofielen dit ook anders zouden willen zien. De reciprociteit zit wel weer in het stabiliseringsfonds. Het effect hiervan is echter lager dan van het incontrole zijn en de eigen groep. Mensen reageren namelijk sterker negatief op wat zij verliezen (de bijdragen aan het "buitenland") dan dat zij positief reageren op wat zij winnen (de bijdragen vanuit dat "buitenland") – het zogenaamde negativiteitseffect. 

En dan is er nog het (correctief) referendum

Het is natuurlijk zeer wel mogelijk, en misschien wel waarschijnlijk, dat het bovenstaande minder opgaat voor GroenLinks kiezers. Dat deze kiezers wel bereid is tot grensoverschrijdend delen. Voor de meerderheid van de bevolking geldt dit echter niet. In een (correctief) referendum, voorgesteld in het verkiezingsprogramma ter vergroting van het democratisch gehalte van de EU, zal een dergelijke maatregel daardoor sneuvelen. We zien dit bijvoorbeeld keer op keer gebeuren in het Europese (niet EU) land met de meeste referenda: Zwitserland. 

Er zijn gelukkig ook goede berichten voor de ambities van GroenLinks voor een sociaal Europa. Zo blijkt uit Anton Hemerijck's (2013) Changing Welfare States dat juist die landen met de hoogste sociale ambities – vooral de Scandinavische landen – het best presteren op sociaaleconomische indicatoren als arbeidsparticipatie, ongelijkheid en armoede. Dit geeft aan dat, zoals GroenLinks onderkent, er geen negatieve afruil hoeft te bestaan tussen gelijkheid en efficiëntie; er zijn meerdere wegen naar Rome en de weg van het kille marktdenken is waarschijnlijk niet de beste en zeker niet de prettigste. 

Echter, de bovengenoemde belemmeringen – die niet in de laatste plaats voortvloeien uit de concrete voorstellen in het verkiezingsprogramma – maken dat het sociale Europa van GroenLinks waarschijnlijk niet meer dan een utopie zal blijven. 

Hoogleraar politieke besluitvorming aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Alle artikelen