26 mei 2017

Europa: christelijk of humaan?

Voordracht tijdens de Quasimodolezing 2017

Tijdens de jaarlijkse Quasimodolezing betoogde Erica Meijers waarom de claim van de christelijke identiteit van Europa (inclusief die van Nederland) moet worden verworpen en vervangen door de oproep tot een humaan Europa. Lees hieronder de voordracht die zij uitsprak in de Gertrudiskapel op 20 april 2017. 

'De vraag zoals die op de aankondiging van deze bijeenkomst staat: Is Europa een christelijk project? is niet in een vacuüm ontstaan. Ik zal eerst kort ingaan op de context van de vraag, waarbij ik die vraag meteen een wat andere richting zal geven.

Aan de hand van drie stellingen zal ik vervolgens toelichten waarom het naar mijn inzicht niet gaat om een christelijk Europa, maar om een humanistisch, of liever gezegd een humaan Europa. Tenslotte zal ik nog iets zeggen over het karakter van het humanisme dat we vandaag in Europa hard nodig hebben.  

1. De context van de vraag

Het lijkt tegenstrijdig, dat de term christelijke cultuur en zelfs joods-christelijke cultuur weer vaker gebezigd wordt in een tijd dat de christenen steeds duidelijker tot een minderheid behoren, zowel in ons land als in Europa als geheel. Maar bij nader inzien is het niet zo vreemd dat de vraag naar de betekenis van een identiteit sterker klinkt wanneer deze zijn vanzelfsprekende plaats verliest. De onzekerheid die ontstaat door het verlies van macht en aanzien vraagt om bezinning en een nieuwe plaatsbepaling. De kerken zijn volop bezig met deze vragen.

Vreemder is het wellicht, dat degene die de christelijke identiteit het meest luidruchtig verdedigen, mensen zijn die weinig affiniteit vertonen met de christelijke kerken en ook slecht op de hoogte zijn van de recente geschiedenis van het christendom in Europa.

Eén voorbeeld: Geert Wilders spreekt graag en veel van de verdediging van onze vermeende joods-christelijke cultuur om daarmee de islam uit te sluiten als niet-Europees, maar hij lijkt niet te weten dat deze term gemunt is door christelijke theologen die het juist te doen was om de bestrijding van uitsluiting. Zij waren er, kort na de Tweede Wereldoorlog, diep van doordrongen dat christenen medeschuldig waren aan het antisemitisme in Europa, en dus medeverantwoordelijk voor de Shoah. De christelijke theologie mocht haar Joodse wortels nooit meer vergeten of verloochenen. Dat vroeg om een theologische praktijk die antisemitische sporen van bijbellezing en godsdienstonderricht zichtbaar zou maken en de Joodse tradities voortaan in hun interpretaties zou meewegen, om uitsluiting van wie onder het nationaalsocialisme als ‘de anderen’ uitgesloten werden, in de toekomst te voorkomen.

Dat de term joods-christelijk nu juist gebezigd wordt om anderen buiten te sluiten, is een illustratie van de afnemende kennis van de geschiedenis van het christendom in onze samenleving, die gepaard gaat met tal van misverstanden over de relatie tussen geloof en politiek en de betekenis van de scheiding van kerk en staat (maar dat is een ander verhaal).

De vraag dringt zich, niet voor het eerst in de geschiedenis van Europa, op: wie willen we zijn? Naar mijn mening is dát de identiteitsvraag waar we ons voor gesteld zien. Niet zozeer dus: wie zijn we, maar veel meer: wie willen we zijn in de wereld van nu? Wat betekent het mens te zijn in het huidige Nederland, in dit Europa en deze wereld? Valt daarover vanuit de theologie iets te zeggen?

Niemand weet of de Europese Unie de huidige spanningen aankan. De financiële en economische crisis uit 2008 heeft de vraag naar solidariteit op de agenda geplaatst; de uitbreiding van de Europese Unie met landen buiten West-Europa roept de vraag op naar de culturele identiteit die ons als Europeanen verbindt en de terugkeer naar nationalisme in tal van landen zet het voortbestaan van de Unie zelf op het spel.

Kortom: de vraag wie we willen zijn in Europa vindt plaats in een context van onzekerheid en van strijd, met als inzet de vraag wie wel en wie niet tot onze Europese cultuur behoort en wat het karakter van die cultuur is. In deze context moet wat mij betreft de claim van de christelijke identiteit van Europa worden verworpen en worden vervangen door de oproep tot een menselijk, een humaan Europa.

2. Waarom de claim van de christelijke identiteit van Europa (inclusief die van Nederland) moet worden verworpen en vervangen door de oproep tot een humaan Europa.

Mijn eerste stelling luidt als volgt: De bewering dat Europa christelijk was, is en moet blijven, doet geen recht aan de gecompliceerde geschiedenis van ons continent.

Want de Europese waarden zijn ontstaan in een complex samenspel van Joodse, christelijke, islamitische en humanistische ontmoetingen.

Het christendom, inclusief zijn Joodse oorsprong, enerzijds, en de klassieke letteren anderzijds (Jeruzalem en Athene) hebben elkaar voortdurend beïnvloed. Het klassieke humanistische ideaal van de renaissance van de vrije volwassen mens inspireerde het reformatorische verlangen naar een niet-klerikale, op de wereld gerichte theologie. En de Reformatie met zijn kritische geest, uitgedrukt in het semper reformandum, maakte de Verlichting mede mogelijk. De bereidheid en het verlangen de eigen gedachtewereld voortdurend onder de kritiek van de eigen bronnen te stellen kenmerken zowel de Verlichting als het protestantisme. Daarin hebben zij elkaar gestimuleerd én bekritiseerd. De terugkeer naar de klassieke bronnen werd mede mogelijk gemaakt door islamitische denkers, die in een tijd dat in Europa niemand meer aan hen dacht, het gedachtegoed van klassieke Griekse denkers als Socrates, Plato en Aristoteles levend hielden en er toe bijdroegen dat deze aan het einde van de Middeleeuwen werden herontdekt.

Zo zijn christendom, humanisme en islam verbonden in het ontstaan van waarden die vandaag als typisch Europees gelden: menselijke solidariteit, vrijheid en verantwoordelijkheid, rede en redelijkheid. De namen van de islamitische Averroës (Córdoba 1126 – Marrakesh 1198), de joodse Maimonides (Córdoba 1135 – Fustat (Egypte) 1204) uit de 12e eeuw en, enkele eeuwen later, de christelijke Erasmus (Rotterdam 1466 – Bazel 1536) zijn met deze geschiedenis van Europees humanisme verbonden.

Mijn tweede stelling luidt daarom: Niet de geïnstitutionaliseerde religies of de grote ideologische stromingen als zodanig zijn maatgevend voor de toekomst van Europa, maar alleen de strijd om humaniteit, die kan putten uit al die verschillende bronnen.  

De bewering dat Europa christelijk was, is en moet blijven, wekt in onze pluralistische samenleving door zijn exclusivistische benadering tradities van uitsluiting tot leven, die nooit werkelijk overwonnen zijn en opnieuw verwoesting kunnen zaaien. Want het Europese humanisme, gegroeid uit het samenspel tussen Jeruzalem, Athene en ‘Córdoba’ heeft verschillende gezichten.

De 20e-eeuwse theoloog Karl Barth typeerde het 18e-eeuwse humanisme positief als een groots project van zelfvertrouwen, van geloof in de menselijke vermogens. Maar hij kon dit humanisme ook negatief typeren als een door beheersingsdrang gedreven absolutisme. Deze innerlijke tegenstrijdigheid verscheurde de Verlichting. Het geloof in de almacht van de menselijke vermogens en het geloof in God, in iets dat buiten de mens staat en groter is dan de mens zelf, stonden vanaf het begin op gespannen voet. Die spanning keert steeds terug in de Europese geschiedenis.

De vroege romanticus Novalis bijvoorbeeld, groot voorstander van de Franse Revolutie en de gelijkheidsidealen, kritiseerde enkele jaren na 1789 niettemin de verlichte tendens om de Europese mens in het centrum van alles te plaatsen en alles om zich heen tot object te maken en te onderwerpen. Novalis sprak daarbij van de natuur en de geschiedenis, maar het verhaal dat ten tijde van Novalis nog maar net begonnen was, van slavernij, kolonialisme en industriële revolutie, uitmondend in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, laat zien dat deze onderwerping ook vaak de mensen betrof die anders waren dan de Europese verlichte mens zelf (een hij uiteraard). Het Europees humanisme is daarom een gespleten, een gebroken humanisme. Vrouwen, mensen van kleur, seksuele minderheden moeten allen heftige strijd leveren om niet langer object te zijn, maar zelf subject van waarden als menselijke solidariteit, redelijkheid en gelijkheid.

Het Europese project maakt deel uit van die strijd voor een humaan Europa. Het wilde na twee – zowel moreel als menselijk - verwoestende oorlogen een dam opwerpen tegen het geweld en de beheersingsdrang door middel van samenwerking en openheid.

Dat brengt me tot mijn derde stelling: De bewering dat Europa een christelijk project is, biedt geen aanknopingspunten om zinvol om te gaan met vragen rondom diversiteit en religie in de conflictueuze wereld waarin we nu leven.

Religie is nog steeds een levende werkelijkheid in Europa, maar is van een ongelofelijke veelkleurigheid. De religieuze instituten hebben veel aan macht ingeboet, religie is diffuser, individueler en tegelijkertijd politieker geworden. Open vormen van spiritualiteit, waarbij verschillende religieuze tradities de identiteit van mensen tegelijkertijd kunnen vormen, staan naast gesloten en fundamentalistische interpretaties van zowel christendom, jodendom als islam. Geweld en terreur worden opnieuw religieus gerechtvaardigd, terwijl anderen zich daar heftig tegen verzetten en de barmhartigheid van hun geloof onderstrepen. Wie op zoek is naar een open Europa waarin inclusieve humanistische waarden de leidraad vormen, kan niet terecht bij één religie. Het christendom alleen kan niet garant staan voor een dergelijk Europees samenleven.

Wat we nodig hebben is veel meer een cultuur waarin echte ontmoeting tussen mensen ondanks alle verschillen mogelijk blijft. Een cultuur waarin we ons niet baseren op wie we denken te zijn op grond van wie we ooit waren, maar waarin we ons gezamenlijk de vraag stellen wie we willen zijn. Aanknopingspunten daarvoor zijn in alle eerder genoemde tradities uit de Europese geschiedenis te vinden, inclusief het christendom natuurlijk. Ik besluit met een voorbeeld.

3. Ik en jij

De Joodse denker Martin Buber (Wenen 1878 - Jeruzalem 1965) groeide op aan de randen van het Habsburgse Rijk en maakte twee wereldoorlogen mee. Zijn ervaringen leidden tot het inzicht dat het in het leven niet gaat om een geobjectiveerd beeld van jodendom, christendom of humanisme, maar dat het uiteindelijk draait om ontmoeting. Ik vertel tot slot van mijn bijdrage slechts één anekdote, om duidelijk te maken welke humaniteit in het hedendaagse Europa mijns inziens op het spel staat. Meer achtergronden kunt u vinden in het zojuist verschenen boek Kwaliteit van Leven, waarin theoloog Theo Witvliet in gesprek gaat met Martin Buber over de actualiteit van zijn Hebreeuws humanisme.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de gespannen eerste maanden van 1914, krijgt Martin Buber bezoek van dominee William Hechler, destijds een bekende figuur in Europese hofkringen. Hij kondigt het uitbreken van de komende wereldoorlog aan. Als Buber hem naar het station brengt, zegt Hechler: "Beste vriend, we leven in een grote tijd. Zegt u mij, gelooft u in God?" Buber probeert de dominee gerust te stellen, maar als hij alleen is bekruipt hem de twijfel. Hij blijft lange tijd op een straathoek staan, en dan komt het volgende antwoord in hem op. “Als in God geloven betekent in de derde persoon over hem spreken, geloof ik niet in God. Als in hem geloven betekent, tot hem kunnen spreken, dan geloof ik in God.”

Het bestaan van God laat zich niet objectief vaststellen, wat dat betreft onttrekt God zich aan het moderne, rationalistische wereldbeeld. God onttrekt zich aan de absolutistische drang tot beheersing en objectivering. God is de eeuwige Jij die onder alle omstandigheden een tegenover blijft.

In het behoud van en het respect voor een dergelijk ‘tegenover’ – God, mens, natuur, geschiedenis – ligt mijns inziens de sleutel tot een humaan Europa.'

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen

Reacties

Wat een prachtig verhaal! Dit raakte mij diep en is voor mij hét antwoord op de nationalistische, cultuurcentrische en racistische ontwikkelingen. Bedankt!

Geachte mevrouw Meijers,
Met belangstelling las ik uw lezing. Specifiek ook de uitleg over de context van de vraag, over de uitsluiting tegenover de oorspronkelijke gedachte vlak na WOII.
De lezing sluit voor mijn gevoel aan bij een boek dat ik aan lezen ben.
Het is: Als God stukloopt. Ondertitel: De maatschappij als erfgenaam van de kerk.

Het behandelt het "Nagelaten werk van Bas Leenman bezorgd door en onder redactie van: Otto Kroesen, Willem Leenman, Anneke van Ojen, Willy Verhage". ISBN 978-94-92183-25-5. Uitgeverij Skandalon. Naast Bas Leenman moet hier genoemd worden de Duitse filosoof,rechtsgeleerde, historicus en socioloogEugen Rosenstock-Huessy (1888-1973). Bas (Sebastiaan) Leenman (1920-2006).

Ook Martin Buber komt erin voor (blz. 24 bijv.). Ik zal niet proberen de aansluiting van dit boek op uw lezing proberen aan te tonen. Daarvoor is het boek te rijk aan aanknopingspunten, zoals ik uw lezing en het boek beleef.
Mijn reactie heeft ook niet de bedoeling 'Marktplaats' te zijn.

Één link is er waarnaar ik verwijzen wil: www.respondeo.nl. Dit is van de vereniging Respondeo, de Nederlandse vereniging rond het werk van Rosenstock-Heusy.
Één citaat uit dit boek: "Daarmee scheppen Eugen Rosenstock-Huessy en Bas Leenman een nieuwe ruimte om over samenlevingen na te denken."
Leenman volgde de studie bij Kerk en Wereld, Driebergen, direct na WOII, voor Wika.

Omdat ik dit vanaf een camping in Frankrijk verstuur noem ik naast mijn hotmailadres hier ook mijn gewone e-mailadres: whag@ziggo.nl.

Met vriendelijke groet,

W.Ph. Hagenaar

Naast m'n grote waardering voor de strekking van het artikel heb ik twee kanttekeningen:

Erica Meijers is duidelijk vooral gericht op de geest en de geesteswetenschap. Ze is een echte alfa, die staat tegenover de in natuur- en wiskunde sterkere bèta’s. Hoewel ze het humanisme (d.w.z. het humane denken) centraal stelt en de verbinding met de Verlichting legt, gaat haar betoog helemaal niet over de ontwikkeling van het natuurwetenschappelijke denken dat OOK uit die Verlichting is voortgekomen.
In haar slotopmerking (over God) stelt ze “… het moderne, rationalistische wereldbeeld. … de absolutische [bedoeld zal zijn: absolutistische; J.R.] drang tot beheersing en objectivering.” Mijn reactie daarop: nou nou nou, zo eng is het met dat wereldbeeld niet gesteld, durf daar ook mee in contact te komen.
Meijers pleit voor een ” een cultuur waarin echte ontmoeting tussen mensen ondanks alle verschillen mogelijk blijft. … Aanknopingspunten daarvoor zijn in alle eerder genoemde tradities uit de Europese geschiedenis te vinden, inclusief het christendom natuurlijk.”
Ik zou aan haar rijtje Jeruzalem, Athene en ‘Córdoba’ willen toevoegen Pisa, de geboorteplaats van Galilei, maar ik zou ook die elders in Europa van Newton, Leibniz, Darwin of Einstein kunnen noemen .
En ik zou willen voorstellen dat religieuze mensen ook ontmoetingen moeten durven aan te gaan met de bèta’s, met de atheïsten, met degenen die vooral bepaald worden door natuurwetenschappelijke nieuwsgierigheid.

M'n tweede kanttekening betreft de manier waarop ‘humaan’ en ‘humanisme’ door elkaar en in het verlengde van elkaar worden gebruikt. ‘Humanisme’ is (in Nederland) een levensbeschouwing, langzamerhand gewoon naast andere – religieuze – levensbeschouwingen. Natuurlijk kan men tegelijk humanist en christen zijn maar het blijven twee levensbeschouwingen. ‘Humaan’ zijn is van een andere orde.
Die verhouding moet nog eens goed doordacht worden.

Beste Joop Romeijn,

Dank voor uw reactie, die ik zeer waardeer! Deze lezing was onderdeel van een symposium over het thema Is Europa een christelijk project? Die vraag werd opgeworpen door de organisatie en ik heb er zoals u heeft gezien een negatief antwoord op gegeven. Uw kanttekening is natuurlijk terecht; ook op wetenschappelijk terrein is er veel dat aandacht verdient. Maar juist ook de ontwikkeling in de robotisering, de medische mogelijkheden om de mens te 'verbeteren' roepen ook veel vragen op: wat voor soort mens hebben we daarbij eigenlijk voor ogen? Hoever willen we gaan met wat technische mogelijk is? Onze samenleving is doordrenkt met de tradities van het rationalisme, iedereen komt daar mee in aanraking, religieus of niet, en iedereen plukt er ook de vruchten van, soms zoet, soms wrang. Er zijn heel wat christelijke 'harde' wetenschappers, dat lijkt me geen tegenstelling. Net als van het humanisme zijn er van het rationalisme verschillende versies en interpretaties in omloop. Ik heb dat in mijn lezing, in de tijd die me daarvoor gegeven was, ook kort aangegeven en vervolgens het humanisme en het humane van elkaar onderscheiden, zonder ze geheel van elkaar te scheiden. Inderdaad, een humane houding kun je in alle stromingen aantreffen. Wat humaan is, moet steeds opnieuw worden bevraagd, wat mij betreft geldt dat zowel voor de alpha als de beta wetenschappen, en voor zowel religieuze mensen (waar ik mezelf niet per se toe reken) als voor atheisten. Op dit moment is er eerder een tendens om de christelijke, joodse en islamitische wortels van de Verlichting onder het tapijt te schuiven, en daar heb ik op willen wijzen.

Reactie toevoegen