20 mei 2014

Europees handelsbeleid: waarom we TTIP moeten afwijzen

Maatschappelijke organisaties stellen Alternative Trade Mandate voor

Donderdag is het 22 mei en zullen Europese burgers hun stem laten horen. In plaats van de simplistische discussie voor meer of minder Europa is het goed te zoeken naar kritische geluiden die wel internationaal durven samen te werken voor een beter Europa en een betere wereld. Het verzet tegen het Europees-Amerikaanse handelsverdrag ‘TTIP’ is hier een lichtend voorbeeld van. Met het Alternative Trade Mandate krijgen mens en milieu weer een kans.

Concurrentie op de wereldmarkt doet meer kwaad dan goed

De campagne in de aanloop naar de Europese verkiezingen op 22 mei gaat dus te weinig over de inhoud van het Europese beleid. Ook komt steeds weer terug dat de burger het vertrouwen in de Europese Unie verliest. Dat laatste is niet vreemd, omdat steeds onduidelijker wordt wat ook al weer de voordelen van Europese samenwerking zijn en hij met steeds meer problemen geconfronteerd wordt. De werkloosheid blijft oplopen in geheel Europa; familiebedrijven in de landbouw stoppen er massaal mee; mede door de verslaving aan olie is Europa niet in staat de klimaatproblematiek effectief aan te pakken; de vernietiging van biodiversiteit voor nieuwe exportgerichte landbouw gaat onverminderd door. 

Voor al deze problemen draagt de huidige Europese Unie een grote verantwoordelijkheid. Met name de actieve steun aan een zo vrij mogelijke, competitieve wereldmarkt, vastgelegd in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en andere vrijhandelsverdragen, draagt bij aan achteruitgang op gebied van milieu en bestaanszekerheid. Naast akkoorden binnen de VN-Veiligheidsraad zijn deze verdragen immers de enige internationale verdragen die met sancties kunnen worden afgedwongen. Dat betekent dat zij bij afwegingen tussen landen altijd prioriteit krijgen boven mensenrechten- en milieuverdragen, waar deze mogelijkheid tot sancties ontbreekt. Slechts eisen op gebied van volksgezondheid zoals voedselhygiëne en residuen van chemicaliën worden geaccepteerd om handelsbeperkingen aan producten te mogen opleggen. Een wijze van productie die gepaard gaat met uitbuiting van arbeiders, vernietiging van natuurgebieden of negatieven gevolgen voor het klimaat, mogen geen reden zijn producten te weren. En zo ontstaat een race to the bottom op een zo vrij mogelijke wereldmarkt, waarbij alleen de laagste prijs geldt.

Deze keuze voor concurrentie op de wereldmarkt is ook de reden dat klimaatonderhandelingen altijd mislukken. De EU zou hierbij een voorbeeld kunnen stellen voor de rest van de wereld. Maar uit angst voor concurrentie uit bijvoorbeeld de VS of China is er ook in de EU een sterke lobby van het bedrijfsleven tegen effectieve klimaatregelen. Te denken valt dan aan hoge ecotaksen op fossiele brandstoffen of strengere milieueisen in algemeen. Maar die buitenlandse bedrijven kunnen alleen (oneerlijk) concurreren op de Europese markt, omdat de importheffingen op industriële producten laag zijn. Ook de uitholling van arbeidersrechten en de ‘noodzaak’ tot flexibilisering (of ‘modernisering’ zoals partijen als D66 zeggen) is een rechtstreeks gevolg van deze politieke keuze tot vrijhandel. Zou de EU echter kiezen voor meer regionale zelfvoorziening voor industriële producten, dan zouden zowel de milieunormen als arbeidersrechten verhoogd kunnen worden. 

Liberalisering in de landbouw: een heilloze weg

Binnen de landbouw en voedselvoorziening zorgt de liberalisering van markten voor verstoring van lokale en nationale markten, waardoor boeren wereldwijd geconfronteerd worden met lage en onstabiele verkoopprijzen onder de kostprijs. Een boer is echter, evenals geen enkel ander bedrijf, in staat een milieuverantwoord en diervriendelijk product te produceren als men hier geen kostendekkende prijs voor krijgt.

De voedselcrises van de afgelopen jaren waren een direct effect hiervan. Door dumping van westerse landbouwoverschotten en gedwongen liberalisering van hun landbouwmarkten, konden boeren in ontwikkelingslanden jarenlang geen kostendekkende prijs meer op hun eigen markt behalen. Het gevolg was dat ze niet konden investeren in een duurzame voedselproductie en hen vaak niets anders restte dan naar de sloppenwijken van de steden of naar het Westen te migreren. Ontwikkelingsorganisaties en partijen als GroenLinks hebben zich lang laten misleiden door de vermeende kansen voor kleine boeren uit ontwikkelingslanden om zich uit de armoede te exporteren. Maar zoals wetenschapper en activiste Vandana Shiva al zei: 'Globalisering leidt niet tot aansluiting van de armsten bij de wereldmarkt, maar tot uitsluiting van hen van de lokale markt'.

Ook hun natuurlijke hulpbronnen als land en water raken zij zo kwijt. Want op een vrije wereldmarkt heeft de koopkracht van de westerse vleeseter en autorijder, prioriteit boven het recht op voedsel van iedereen. De beste landbouwgronden en het beschikbare water worden ingezet voor de export van producten als soja, palmolie en biobrandstoffen. Kind van de rekening zijn – naast waardevolle natuurgebieden - de kleine boeren, herders en inheemse bevolking die van hun land worden verjaagd om al deze plantages aan te leggen. 

Neo-kolonialisme als kern van de EU-handelsstrategie

Weinig mensen zullen de achterliggende handelsstrategie Trade, Growth and World Affairs kennen, in 2010 opgesteld door EU-commissaris voor handel De Gucht, als opvolger van Global Europe uit 2006. Deze strategieën bevatten vier doelstellingen: 1) verbeterde toegang tot nieuwe markten, 2) en tot grondstoffen buiten Europa, 3) bescherming van investeringen, 4) en bescherming van intellectuele eigendomsrechten. Niet toevallig komen deze doelstellingen precies overeen met het de doelstellingen van het Europese multinationale bedrijfsleven. Waar men vroeger koloniale legers inzette om toegang te krijgen tot markten en natuurlijke hulpbronnen, gebruikt men nu vrijhandelsverdragen als breekijzer. Nu de WTO-onderhandelingen zeer moeizaam verlopen sluit de EU deze verdragen in hoog tempo af met landen als India, Zuid-Korea, Japan en via Economic Partnership Agreements met de ACP-landen (de oud-koloniën in Afrika, Caribisch gebied en Pacific). 

TTIP: de ultieme droom van het multinationale bedrijfsleven 

Het meest controversiële verdrag is echter TTIP, de Trans-Atlantic Trade and Investment Partnership, waarover momenteel achter gesloten deuren wordt onderhandeld door de EU en de VS. Het doel is zoveel mogelijk ‘handelsbelemmeringen’ te verwijderen. Te denken valt dan aan ‘hinderlijke’ milieu- en arbeidswetgeving, maar ook importheffingen die bijvoorbeeld de Europese veehouderij beschermen. De EU en de VS willen ook door gezamenlijke afspraken een blok vormen tegenover opkomende landen als China, India, Rusland en Brazilië. Het doel is een standaard op gebied van handel en investeringen die maatgevend wordt voor de gehele wereld.

Nu dit niet gelukt is binnen de WTO, hebben westerse multinationals de EU en de VS zover gekregen hun om binnen de TTIP hun neoliberale agenda te vervolmaken. Het zal o.a. de volgende gevolgen hebben:

  • Multinationals zullen evenveel rechten krijgen als binnenlandse bedrijven en dit afdwingen via ondoorzichtige rechtbanken. Om ‘discriminatie’ te voorkomen worden bescherming en stimulering van lokale bedrijven bestreden. Overheden mogen binnen aanbestedingen geen lokale bedrijven meer bevoordelen. Ook subsidies aan lokale bedrijven zullen onder druk komen te staan.
  • Er zal een neerwaartse druk op arbeids- en milieunormen worden uitgeoefend door het principe van mutual recognition. Amerikaanse producten mogen dan in Europa de markt op, als ze voldoen aan hun – vaak veel lagere – standaarden, ondanks dat de Europese producenten zoals boeren aan hogere eisen moeten voldoen. Het betekent oneerlijke concurrentie en de Europese standaarden zullen ernstig onder druk komen te staan.
  • Nu geldt in de EU het voorzorgsbeginsel nog waarbij een fabrikant van bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen moet bewijzen dat zijn product veilig is, voor het op de markt mag. In de VS geldt de omgekeerde bewijslast, daar moet de overheid aantonen dat een product niet veilig is. Er zal vervolgens ook een druk worden uitgeoefend op de EU om de teelt van genetische gemanipuleerde gewassen toe te laten in de EU en om de verplichte etikettering van voedsel te versoepelen.
  • Ook dreigt de democratische wetgeving op het gebied van milieu-, voedselveiligheids- en dierenwelzijnstandaarden volledig te worden uitgehold. Via zogenaamde Regulatory coherence worden standaarden tussen de EU en de VS geharmoniseerd via een Regulatory Cooperation Council. Deze raad bestaat uit ambtenaren van de Europese Commissie en de VS, die toekomstige wetten onderling beoordelen en afstemmen, om zo ‘handelsbelemmeringen te voorkomen’. Temeer deze raad buiten het zicht van de politiek blijft, heeft het multinationale bedrijfsleven vrij spel. Het zal dan zeer moeilijk worden om Europese standaarden nog verder te verhogen.
  • Dat verhogen van standaarden wordt verder onmogelijk gemaakt door het Investor to State Dispute Settlement-mechanisme. Hierbinnen kunnen investeerders – meestal multinationals - lidstaten of de EU aanklagen bij een (rechterlijk noch democratisch) panel, wanneer nieuwe wetgeving hun (toekomstige) winsten nadelig beïnvloedt. Er zijn voldoende voorbeelden bekend van miljardenclaims. Uit angst voor hiervoor zullen overheden wel oppassen met strengere wetgeving. Dit wordt ook wel het chilling effect genoemd.

Kortom betekent een ‘succesvolle’ TTIP binnen b.v. de landbouw dat een zelfvoorzienende, geregionaliseerde Europese landbouw met hoge(re) milieu-, sociale - en dierenwelzijnseisen onmogelijk wordt gemaakt.

Alternative Trade Mandate 

Maar het kan anders. Als alternatief voor genoemde handelsstrategie, presenteerde een brede coalitie van maatschappelijke organisaties, boerenorganisaties en vakbonden uit heel Europa in november 2013 het Alternative Trade Mandate (ATM) (hier de Nederlandstalige versie van Alternative Trade Mandate, en de Europese website, www.alternativetrademandate.org). De ATM, (mondeling) gesteund door diverse partijen, betreft een alternatief voor alle sectoren in de economie. Het pleidooi op gebied van landbouw en voedsel bevat onder andere:

  • Het beëindigen van vrijhandel binnen de landbouw binnen nieuwe vrijhandelsverdragen zoals TTIP. Internationale handelsverdragen zijn nodig maar dan gebaseerd op  voedselsoevereiniteit en het recht op voedsel.
  • Meer regionale zelfvoorziening in voedsel, veevoer, energie (hout en textiel) door drastische hervorming van vrijhandelsverdragen en hervorming van het Europese handels- en landbouwbeleid (GLB). Waaronder: verhogen van importheffingen om bijvoorbeeld teelt van Europese eiwit- en oliegewassen mogelijk te maken, waardoor beslag op land in ontwikkelingslanden wordt beperkt en kringlopen weer gesloten worden; het in stand houden en uitbreiden van productiebeheersing waardoor de dumping van Europese overschotten wordt voorkomen; verhogen van veiligheidsvoorraden om onstabiele prijzen te voorkomen; kostendekkende prijzen voor de boer, waardoor geen inkomenssubsidies meer nodig zijn die er nu voor zorgen dat industrie en handel onder de kostprijs inkopen. Het budget voor landbouwsubsidies kan daarmee drastisch dalen; wel moeten boeren betaald worden voor hun groene dienstverlening aan de maatschappij op het gebied van natuur, landschap, en waterbeheer; een deel van het vrijkomende geld kan gebruikt worden voor het verhogen van organische stof in de bodem (ook als opslag van broeikasgassen) en het stimuleren van de ecologische landbouw.
  •  Internalisering van alle milieu- en dierenwelzijnskosten in de prijs, door importheffingen, hogere normen aan boeren en ecotaksen. Door bijvoorbeeld duurder Europees veevoer en hogere dierenwelzijnseisen aan de veehouderij zal de vleesprijs stijgen en de vleesconsumptie dalen.
  • Afschaffen van de Europese biobrandstoffenrichtlijn en een verbod van de import biobrandstoffen uit ontwikkelingslanden.
  • Nieuwe Europese zaadwetten dienen kwekersrecht en (agro)-biodiversiteit te beschermen, geen GMO’s.

Wat niet specifiek genoemd is in het Alternative Trade Mandate, maar ermee in de lijn ligt en een zeer welkom versterkend effect zou hebben, is als de genoemde ecotaksen gecombineerd worden met de verlaging van de lasten op arbeid, wat de werkgelegenheid ten goede komt. Het bereiken van ‘volledige werkgelegenheid’ komt ook een stuk dichterbij door het beschikbare werk via arbeidstijdverkorting te verdelen over zoveel mogelijk mensen. Waarom noemt de PvdA dit eigenlijk niet als maatregelen om haar 5% werkloosheidsnorm te realiseren?

Verder kan Europa haar fossiele energieverbruik drastisch terugbrengen door naast ecotaksen, niet langer als overheid te investeren in infrastructuur zoals vliegvelden, havens en snelwegen. Dit ook al omdat de noodzaak te importeren en exporteren drastisch wordt verminderd. Zo wordt het midden- en kleinbedrijf – dat zich richt op de lokale of nationale markt – eindelijk bevrijd van de oneerlijke concurrentie door multinationals.

Al dat vrijkomende overheidsgeld kan naar investeringen in decentrale duurzame energieopwekking, uitbreiding van het openbaar vervoer, het isoleren van woningen, het betalen van ontwikkelingslanden voor het beschermen van hun biodiversiteit, en het kwijtschelden van hun de schulden. Eindelijk kan de EU zo bijdragen aan gerechtigheid, energie- en voedselzekerheid en een veel lagere bijdrage aan klimaatverandering binnen en buiten de EU. 

Nu ‘alleen nog’ de vrijhandelsafspraken binnen de WTO nog aanpassen. Onmogelijk? Nee. Dit voorstel ligt namelijk precies in lijn met de afspraken binnen de GATT – de WTO-voorloper – in 1947. Onder invloed van Keynes werd toen wel ingezien dat de vrije wereldmarkt niet zaligmakend is, zeker niet binnen de voorziening in basisbehoeften als voedsel. 

Publicist en consultant op gebied van andersglobalisering en landbouw.
Alle artikelen