2 mei 2013

Fatale puurheid - Robespierre en de Franse Revolutie

recensie

Robespierre, een van de belangrijkste leiders van de Franse Revolutie, is nog altijd een controversiële man. Maar wie was hij als mens? Ruth Scurr doet in Fatal Purity een poging om Robespierre te begrijpen.

Lauweren

In Parijs is het moeilijk om verwijzingen te vinden naar Maximilien de Robespierre. Zijn mederevolutionair Danton heeft een beeld en een plein. Napoleon ligt in Les Invalides. Een straat die de naam draagt van een groot revolutionair, kan uitkomen op een plein vernoemd naar een lid van het Hof uit het Ancien Régime. Een groot generaal heeft een beeld dat uitkijkt op een herdenkingsplaque voor een vredesactivist. In het Panthéon ligt Voltaire tegenover Rousseau. Grote Fransen worden geëerd, hun daden lijken daaraan vaak ondergeschikt. Robespierre is een van die uitzonderingen. Af en toe doen lokale politici een voorstel om een straat naar hem te vernoemen, maar zonder succes.

Robespierre blijft dus een controversiële hoofdrolspeler van de Franse Revolutie. Niet alleen in Parijs, maar ook voor historici. In de inleiding van Fatal Purity verwijst schrijfster Ruth Scurr verschillende keren naar de strijd over Robespierre. Sommigen beschouwen hem als bloeddorstige dictator, anderen zien in hem de grote held van de Revolutie. Een oordeel over Robespierre is vaak ook een oordeel over de Franse Revolutie zelf, en dan vooral de Terreur. Dat is niet vreemd: Robespierre, zo maakt Scurr duidelijk, verbond zichzelf onlosmakelijk met de Revolutie.

Zelf kiest Scurr geen kant, maar ze maakt Robespierre ook niet los van de Revolutie. Scurr probeert weer te geven als mens: wat voor persoon was hij eigenlijk? En hoe leidde dit hem tot zijn rol in de Revolutie?

Een morele opvoeding

Scurr benadert Robespierres leven chronologisch, maar loopt zijn leven niet stap voor stap door. Vooral cruciale momenten komen aan bod. Bij Robespierre begint dit al bij zijn geboorte in 1758: bijna was hij een buitenechtelijk kind. Zijn ouders trouwden toen zijn moeder vijf maanden zwanger was, net op tijd om de naam van zijn familie te redden. Het duurde niet lang. Na de dood van zijn moeder verdwijnt zijn vader uit zijn leven. Af en toe komt hij nog langs, als hij geld nodig heeft. Robespierre is anders. Hij is ambitieus en werkt hard; hard genoeg om een beurs te krijgen voor Louis-le-Grand, een prestigieuze school in Parijs.

Hier, stelt Scurr, zal een jonge Robespierre voor het eerst in aanraking zijn gekomen met het werk van Rousseau, de denker die hem het meest beïnvloedt. Vooral op zo'n jonge leeftijd zal Rousseau een grote indruk hebben gemaakt. Robespierres geloof in vrijheid, democratie en de goedheid van de mens worden de waarden die hem leiden.

De omschrijving van Robespierres jeugd en zijn jaren als advocaat in Arras geven een vrij consistent beeld. Hij is een man met principes en leeft mee met de zwakkeren in de samenleving. Op Louis-le-Grand komt hij op voor kleinere, jongere leerlingen, terwijl hij zich als advocaat vaak inzet voor armeren en kritiek levert op het onrecht van het Ancien Régime. Hij is gevoelig en gesloten, misschien zelfs een romanticus, maar ook ambitieus. Het beeld dat Scurr schept is dat van een man die niet dezelfde fouten wil maken als zijn vader.

Een revolutionair karakter

Frankrijk in de 18e eeuw is een land in crisis. Scurr gaat uitgebreid in op de situatie in Frankrijk. De armoede is groot. De overheid balanceert op de rand van faillissement. Hervormingen zijn nodig, zowel op sociaal als financieel vlak. Lodewijk wil de macht naar zich toe trekken om dit te bereiken, maar de lokale Parlements verzetten zich. Om de impasse te doorbreken riep hij de Staten-Generaal bijeen, voor het eerst sinds 1614.

Robespierre komt in 1788 aan in Versailles als een anonieme vertegenwoordiger van de Tiers Etat; een advocaatje uit de provincie. De vergadering wordt in het begin gedomineerd door grote, gevestigde namen als Mirabeau en Abbé Sieyès. Toch weet Robespierre zich vanaf het begin te onderscheiden. Zo zet hij zich in voor een algemeen stemrecht, volledige vrijheid van meningsuiting, een progressief belastingstelsel en een eind aan de doodstraf. Hij ontpopt zich als een radicale democraat, een groot voorstander van de nieuwe volkssoevereiniteit. Niets voor niets zegt Mirabeau over hem: 'Die man zal ver komen. Hij gelooft in wat hij zegt.'

Vroeg in de Revolutie ontdekt Robespierre volgens Scurr zijn grote talent. Hij blinkt uit in populistische politiek. Net als Wilders nu, lijkt hij feilloos aan te voelen wie hij aan kan vallen en wie niet. Zijn karakter lijkt hierin zijn grootste kracht te zijn. Mirabeau blijkt gelijk te hebben: Robespierre gelooft in wat hij zegt. Al snel verwerft hij de bijnaam 'l'Incorruptible,' de man die niet valt om te kopen.

Ondanks zijn talent voor populistische politiek, is Robespierre geen man van het volk. Hij neemt nooit de mode van de sans-cullotes over, en blijft gekleed in de kleding van voor de Revolutie. Belangrijker is echter dat zijn principes, zo zuiver en zo strikt, abstract blijven. Scurr zegt het nooit met zoveel woorden, maar het valt op. Vooral in contrast met Danton is het verschil duidelijk. In grote lijnen hadden de twee mannen dezelfde posities. Maar Danton veroorloofde zichzelf een leven, liefde en leek echt betrokken te zijn met burgers. Voor Robespierre daarentegen was er vooral een Volk, een Natie. Hij stond in dienst van 'de Revolutie.' Allemaal grote verhalen, concepten en ideeën met hoofdletters. De onzuiverheden en menselijkheden van het dagelijkse leven hadden daar geen plaats in.

Als Robespierre zich al menselijkheid toestond, was dat alleen als het ging om de dood. Executies waren nodig om de Revolutie te laten slagen. Lange tijd trokken de karren met veroordeelden langs zijn kamer: Lodewijk, Marie-Antoinette, de Girondijnen, de Dantonisten. Zijn raamluiken waren echter altijd dicht. Scurr benadrukt dit keer op keer. Pas toen hij en zijn medestanders op het schavot stonden, zag hij de guillotine vallen.

Fatale zuiverheid

Scurrs weergave van Robespierre is intrigerend, helder en goed onderbouwd. Ze pleit Robespierre niet vrij van zijn misdaden, maar behandelt hem wel met enige sympathie. Ze meent dat hij er echt niet naar streefde om tiran te worden. Bewijs daarvoor ziet ze vooral in zijn idealen en principes. Hij had ze al grotendeels ontwikkeld voordat hij een machtspositie verwierf. En zelfs toen hij macht had, leek hij ze nog te eren. Hij heeft zichzelf nooit verrijkt; hij was en bleef écht incorruptible.

Maar die principes, in al hun zuiverheid, waren juist de reden voor zijn ondergang. Ze dreven hem verder en verder. Maar deze perfectie en zuiverheid gingen ten koste van iets chaotisch, feilbaars en imperfects: menselijkheid .

En Robespierre in Parijs? Er is wel een Rue Robespierre, met bijbehorend metrostation, vlak buiten de stad zelf, in het departement Seine-Saint Denis. Ironisch genoeg juist in het departement waar vroeger de Franse koningen begraven werden. 

Jurist, rechtsfilosoof en voormalig vrijwilliger bij De Helling.
Alle artikelen