7 dec 2011

Het vrije politieke spreken

Door fact free politics moeten we ons opnieuw bezinnen over het onderscheid tussen wetenschap en politiek en tussen politiek en bestuur.

Politiek bedrijven met voorbijgaan aan de feiten. Zomaar wat roepen – zonder enige kennis van zaken. Dat verwijt maakte Bill Clinton Sarah Palin en de Tea Party in een tv-optreden een jaar geleden. Sindsdien is fact free politics een scheldwoord geworden vanuit de gevestigde politiek richting nieuwe, meer populistische partijen. Zo ook in Nederland – met als hoogte/dieptepunt de discussie tussen Lilian Helder van de PVV enerzijds en Jeroen Recourt van de PvdA en Sharon Gesthuizen van de SP anderzijds over statistische gegevens inzake recidive (te zien op YouTube).

Maar hoe terecht is dat verwijt eigenlijk? Moet de politiek aan de leiband van de feiten lopen? Of is dat juist de dood in de pot voor het vrije politieke spreken? Kortom, hier is de verhouding tussen feiten en waarden, tussen wetenschap en politiek, tussen waarheid en democratie in het geding.

'Im Hörsaal keine Politik' – in de collegezaal geen politiek, aldus Max Weber in zijn beroemde lezing Wissenschaft als Beruf uit 1917. Wetenschap moest in zijn ogen gevrijwaard blijven van politiek. Wetenschappelijk onderzoek gaat over de feiten – het Sein; politieke wilsvorming over de waarden – het Sollen. En die twee domeinen moeten strikt van elkaar gescheiden blijven. Dat is goed voor de wetenschap – haar neutraliteit en objectiviteit; maar ook voor de politiek. Het politieke spreken moet vrij zijn, los van Sachzwang, de dwang van de feiten. Wat we normatief wenselijk achten mag niet afhankelijk zijn van wat feitelijk mogelijk is. Zo geredeneerd is fact free politics het tweelingzusje van waardevrije wetenschap – value free science.

Aan deze strikte scheiding van wetenschap en politiek zitten nog twee andere vast: die tussen experts en leken en tussen burgers en politici. Waarheidsvinding is het domein van daartoe opgeleide wetenschappelijke experts – een zaak van deskundigen waar de leek buiten moet blijven. En de politiek delegeren we in onze indirecte democratie aan gekozen vertegenwoordigers, die weliswaar de hete adem van de burger in hun nek voelen, maar grondwettelijk toch geacht worden 'zonder last en ruggespraak' hun werk te doen. Het is deze driehoeksverhouding tussen wetenschappelijke experts, beroepspolitici en leken-burgers die lange tijd de grondstructuur vormde van ons denken over rationaliteit en vooruitgang. Het is een van de de constitutionele pijlers van ons Westers-moderne wereldbeeld.

Maar inmiddels is dit beeld ook behoorlijk vergruisd. Tussen wetenschap en politiek bestaat een veel hechtere band dan die moderne constitutie toestaat. In reactie op Webers lezing sprak Jürgen Habermas, bijna vijftig jaar later, midden in de Koude Oorlog, al over de toenemende verwetenschappelijking van de politiek en idem dito verpolitisering van de wetenschap. Het 'wetenschappelijk-technologisch-militair-industrieel complex' heette dat. Wetenschap blijft niet binnen de veilige muren van het laboratorium. We experimenteren in real time met onze natuur, zowel op het macroscopisch niveau van ecosystemen als op het microscopisch niveau van genen. Feiten en waarden, wetenschap en politiek raken in zulke situaties steeds hechter verweven – kijk maar naar de klimaatdiscussie of naar een willekeurig rapport van de Gezondheidsraad over een of andere nieuwe medische technologie. Wetenschap levert niet alleen kennis op over onze wereld, maar geeft zelf ook actief vorm aan die wereld. Dat de feiten niet voor zich spreken, maar interpretatie behoeven en dus contextgevoelig zijn, wisten we al wel langer. Onzekerheid is troef – ook in de wetenschap. Maar als wetenschap die context ook mede vorm geeft, dan is ze zelf een politieke actor van belang geworden, en wordt ze onderdeel van het politieke spel van botsende zekerheden. Denk nog maar eens terug aan de strijd tussen Shell en Greenpeace inzake de Brent Spar. Of, meer recent, aan de discussie over nut en noodzaak van de griepprik.

Met deze vervaging van de grens tussen wetenschap en politiek komen, begrijpelijkerwijs, ook die andere twee onderscheidingen ter discussie te staan. Immers, als wetenschap een vorm van politiek is, voortgezet met andere middelen, zoals de Franse filosoof Bruno Latour stelt, dan is het niet verwonderlijk dat leken-burgers zich daar ook tegenaan willen bemoeien. Kortom, die keurige taakverdeling tussen wetenschappelijke experts, politici en leken-burgers implodeert op alle fronten. Een willekeurig voorbeeld: patiëntenverenigingen, medici, zorgverzekeraars en beleidsmakers in de gezondheidszorg zitten regelmatig bij elkaar aan tafel. Om nog maar te zwijgen over het het vervagen van grenzen op internet – daar gaat iedereen op elkaars stoel zitten.

Aan die grensvervaging wordt ook actief meegewerkt vanuit de bestaande instituties. Aan politiek-bestuurlijke kant gonst het van initiatieven inzake burgerparticipatie, interactief beleid, privaat-publieke samenwerking, de lerende overheid, governance in plaats van government, en ga zo maar door. Lees een paar WRR-rapporten over bestuurlijke vernieuwing en de overheid, en je bent op dit punt weer helemaal bijgepraat. En aan de wetenschappelijke kant wordt het ene instrument na het andere verzonnen om de leek te betrekken bij ontwikkelingen in onze kennismaatschappij en de technologische cultuur: lekenpanels, science courts, brede maatschappelijke discussies, consensus conferenties, scenario workshops – allemaal pogingen om de verplaatsing van de politiek naar het laboratorium en de tekentafel ook democratisch te reguleren en te legitimeren.

Maar toch, hoe goed bedoeld en lofwaardig ook, aan al te ver doorgevoerde participatie van leken-burgers aan wetenschap en politiek kleven ook een aantal bezwaren. In de eerste plaats kan getwijfeld worden aan de bereidheid tot deelname. De loodgieter laten we het sanitair repareren, voor medische kwesties gaan we naar de dokter, en politiek en bestuur delegeren we via verkiezingen aan beroepspolitici. Dat is juist de charme van indirecte democratie: het garandeert ons recht op politieke luiheid. Je moet er toch niet aan denken dat je altijd overal over mee zou moeten praten.

In de tweede plaats komt het gezag van wetenschap op losse schroeven te staan. Als de vervaging van de grens tussen leken en experts impliceert dat oude vormen van kwaliteitsbewaking – de gesloten wetenschappelijke gemeenschap – niet vervangen worden door nieuwe, dan loop je het risico het kind met het badwater weg te gooien. Zeker, dat leken mee- en tegenspreken is goed voor de wetenschap, maar helemaal zonder poortwachters gaat het niet. Dan zal elk vertrouwen in de wetenschappelijke expertise wegvloeien – vertrouwen dat juist onontbeerlijk is omdat we niet alles zelf kunnen weten.

Het derde, en wat mij betreft belangrijkste bezwaar betreft de politiek. Niet zelden is burgerparticipatie en interactief beleid een doekje voor het bloeden. Het maskeert de koudwatervrees van politici voor heldere politieke uitspraken en beslissingen – ook tegen de vermeende volkswil in. Draagvlak en consensus zijn mooie democratische idealen, maar ze kunnen in de typisch Nederlandse context van bestuurlijk polderen ook gemakkelijk in hun tegendeel verkeren: slappe compromissen onder miskenning van tegenstrijdige belangen en botsende idealen – het domein bij uitstek van het vrije politieke spreken.

Kortom, had Weber niet toch een beetje gelijk? Moeten we weer terug naar die strikte scheiding tussen wetenschap en politiek, onderwijl leken en burgers op afstand houdend? Dat is, dunkt me, een modernistische illusie. Daarvoor zijn kennisvragen en handelingsbeslissingen te zeer met elkaar verknoopt geraakt. En de inmiddels goedopgeleide burger zal zich de mond ook niet meer laten snoeren – niet door wetenschappelijke experts, noch door beroepspolitici.

Dat neemt niet weg dat Weber wel een punt had, met name met zijn stelling dat de politiek niet opgeslokt mag worden door wetenschap en technologie. Dat leidt slechts tot depolitisering en technocratie. Een zekere scheiding tussen wetenschap en politiek is dus nog steeds vereist, juist ook ter bescherming van de vrije politieke wilsvorming.

De vraag is dus hoe die scheiding opnieuw te bepalen, zonder in Webers oude feit/waarde-model terug te vallen. Dat kan door wetenschap en politiek allebei als een vorm van experimenteren te beschouwen. Beide zijn voortdurend bezig met de experimentele creatie van nieuwe werelden, maar wel op geheel verschillende manieren. In de wetenschap worden die nieuwe werelden daadwerkelijk gemaakt – vaak eerst in het lab en aan de tekentafel, daarna ook buiten in 'het wild'. In de politiek worden die werelden verbeeld in idealen – geen utopische blauwdrukken, maar concrete beschrijvingen van het betere leven. Wetenschap en politiek zijn dus twee vormen van onderzoek naar mogelijke werelden – de een letterlijk, de ander beeldend. In vergelijking met Weber: wetenschappelijk onderzoek is meer dan alleen het weergeven van reëel bestaande feiten; het creëert ook nieuwe feitelijkheden. En politiek bedrijven is meer dan alleen het vellen van normatieve oordelen over bestaande praktijken; politiek moet vooral ook tot de verbeelding spreken. Wetenschap is een experiment met de feiten; politiek een experiment tegen de feiten in. Habermas parafraserend: wetenschappelijk spreken is factisch; politiek spreken is bij uitstek contra-factisch.

Dat laatste vereist overigens wel een veel striktere scheiding tussen, wat in het Engels zo mooi heet policy en politics – tussen beleid en bestuur enerzijds en politiek anderzijds. Nederland ontbeert dit dualisme in hoge mate. Bestuurders en gekozen politici spelen maar al te vaak onder een hoedje. Kandidaat kamerleden worden na de verkiezingen zomaar opeens minister of staatssecretaris; en voorzitters van kamerfracties die de zittende coalitie ondersteunen zijn meer regeringsvertegenwoordiger dan volksvertegenwoordiger. Terwijl het vrije politieke spreken toch juist om dat laatste gaat: het vertegenwoordigen van en vormgeven aan botsende idealen in de samenleving. Natuurlijk, beleidsvorming moet mede gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten en technische realiseerbaarheid. En bestuurlijke beslissingen verdienen een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak. Maar het politieke, verbeeldende spreken moet daar niet al te veel door gehinderd worden – dan is het niet vrij meer. Kortom: fact free policy – nee; fact free politics – ja.

Dit is een bewerking van de bijdrage van de auteur aan een bijeenkomst over framing en fact free politics, georganiseerd door het Groninger debatcentrum DwarsDiep, vrijdagavond 18 november. Zie www.groningerforum.nl/forumdwarsdiep