15 jun 2017

Niet alle grondstoffen zijn even schaars

Recensie van ‘Wat met recyclage?’

Metaalschroot, ingezameld voor recycling. CC0

De overgang van de lineaire naar een circulaire economie is geen eenvoudige operatie. Dat maakt de Leuvense hoogleraar Karel Van Acker goed duidelijk in zijn boek ‘Wat met recyclage?’. Het is jammer dat hij geen prioriteiten stelt bij het in kringloop houden van grondstoffen; sommige grondstoffen zijn immers schaarser dan andere.

De kernzinnen in het boek, als het gaat om besparing van grondstoffen, zijn misschien wel de volgende:

“Elk model van een wereldeconomie, die de 5,15 miljard mensen die minder dan 10 USD per dag hebben, niet wil optillen tot een grotere welvaart, is onwaardig. Elk model van een wereldeconomie, die geen rekening houdt met een radicaal anders omgaan met grondstoffen om die welvaartsstijging aan te kunnen, is echter eveneens onwaardig” (blz. 161).
In het licht van deze zinnen vind ik de onderbouwing van de gewenste circulaire economie er wat karig vanaf komen bij Van Acker. Er zijn twee redenen om te streven naar grondstoffenbesparing: (1) uitputting van grondstoffen en (2) de milieu-impact van het winnen, verwerken en afdanken van grondstoffen. Het mogelijk opraken van sommige grondstoffen is een belangrijke reden om er zuinig mee om te gaan. Wat ontbreekt in het boek, is een onderscheid tussen schaarse en minder schaarse grondstoffen. Bij de uitwerking van de circulaire economie krijgt de lezer de indruk dat alle grondstoffen even schaars zijn.

Ook in het hoofdstuk over uitputting van grondstoffen wordt niet echt duidelijk gemaakt dat sommige grondstoffen (zoals aluminium en magnesium) overvloedig aanwezig zijn in de aardkorst, terwijl andere (zoals goud en zink) veel zeldzamer zijn, afgemeten aan het jaarlijks gebruik van die delfstoffen. Hoewel Van Acker schrijft dat de meeste elementen op dit moment niet schaars zijn, verbindt hij daar geen conclusies aan. Hij vermeldt terecht dat de afhankelijkheid van grondstoffen uit het buitenland ook een reden is om de economie meer circulair te maken. Maar ook hier ontbreekt de nuancering. Sommige delfstoffen (zoals neodymium) zijn voor wat betreft de korte-termijn-afhankelijkheid van het buitenland en het belang voor onze economie veel kritischer dan andere (zoals grind). 

Mijn punt is dat er prioriteiten gesteld kunnen worden, en dat zulks niet gebeurt in het boek. Dat is jammer, omdat de oplossing van het schaarsteprobleem veel behapbaarder wordt als we ons kunnen concentreren op bijvoorbeeld tien stoffen, dan wanneer we alle grondstoffen tegelijkertijd moeten aanpakken.

Marktfalen

Afgezien van deze onevenwichtigheid in het boek, vind ik de overgang van de lineaire economie naar de circulaire economie goed uitgebalanceerd, grondig en volledig beschreven. Veel, zo niet alle mogelijke beleidsinstrumenten komen aan bod, met hun voor- en nadelen. Van Acker, die naast zijn hoogleraarschap het steunpunt Duurzaam Materialenbeheer in een Circulaire Economie van de Vlaamse overheid leidt, maakt goed duidelijk gemaakt dat de grondstoffentransitie geen simpele operatie is. Veel mitsen en maren worden op een duidelijke manier uitgelegd, zoals terugslageffecten, weglekeffecten en voorsorteergedrag, evenals de negatieve effecten van belasting op grondstoffen en subsidiëring van recycling.

Van Acker stelt dat Europa door de overgang naar een circulaire economie jaarlijks tussen de 300 en 500 miljard euro zou kunnen besparen op materiaalkosten. Dat zou twee miljoen banen opleveren. Als we aannemen dat elke baan ongeveer 100.000 euro zou ‘kosten’ aan loonkosten, gebouwen en machines, dan komt dat neer op 200 miljard euro per jaar aan extra kosten. De besparingen van de circulaire economie overtreffen de uitgaven dus ruimschoots. De vraag die mij intrigeert is waarom overheden en bedrijven dan niet veel meer werk maken van het sluiten van kringlopen. Waar liggen de blokkades? Daar had ik graag meer over gelezen.

Van Ackers beschouwing over de prijsontwikkeling van grondstoffen is theorie. Hij stelt dat de prijzen van grondstoffen zouden stijgen met toenemende schaarste. In de praktijk stijgen de reële grondstoffenprijzen nauwelijks of dalen ze zelfs, bezien over een lange periode. Er is (nog) totaal geen verband zichtbaar tussen de prijsontwikkeling en geologische schaarste. Geologisch schaarsere grondstoffen stijgen niet systematisch sneller in prijs dan niet-schaarse grondstoffen. De oorzaak van de relatieve prijsstabiliteit is de snelle ontwikkeling van de technologie, zodat lagere concentraties steeds dieper kunnen worden gedolven tegen gelijkblijvende prijs. Een andere oorzaak is dat het prijsmechanisme niet verder anticipeert dan hooguit enkele tientallen jaren. Mogelijke schaarsteproblemen over bijvoorbeeld vijftig jaar worden nog niet gereflecteerd door de markt, maar zijn natuurlijk wel degelijk relevant.

Ik heb ook nog een praktische opmerking. Ik weet niet of het de bedoeling was om ook zuinig met inkt om te gaan bij het drukken van het boek. In veel figuren zijn de teksten nauwelijks tot niet leesbaar.

Karel Van Acker, ‘Wat met recyclage?’, LannooCampus, Leuven, juni 2017.
120 pagina’s, € 19,99.

Expert metaalschaarste.
Alle artikelen

Reactie toevoegen