13 jun 2018

Scenario circulaire economie 2050: voedsel

Geef je mening over de voedselvoorziening van de toekomst

Blaarkop, 2008. Foto door Tjibbe. CC0

Nederland wil circulair zijn in 2050. Hoe leven, wonen, werken en consumeren we in een economie van gesloten kringlopen? Om die vraag te beantwoorden, werkt Bureau de Helling aan een scenario voor een circulair Nederland in 2050. Dit artikel, over voedsel, vormt een eerste aanzet. Heb je een idee om het scenario te verbeteren? Plaats dan je reactie onder dit artikel.

Nederland wil circulair zijn in 2050. Een circulaire economie draait niet alleen op schone energie, maar houdt ook grondstoffen in kringloop. De keten van productie en consumptie is gesloten. Grondstoffen gaan niet langer verloren als afval of vervuiling. Er zijn geen minerale of fossiele delfstoffen meer nodig. Biogrondstoffen keren, na gebruik, veilig terug in natuurlijke kringlopen.1

Hoe leven, wonen, werken en consumeren we in een circulaire economie? Om die vraag te beantwoorden, werkt Bureau de Helling aan een scenario voor een circulair Nederland in 2050. We halen ideeën op bij experts en geïnteresseerden. We toetsen die ideeën op haalbaarheid en wenselijkheid. We combineren ze tot een toekomst­beeld, in leesbare taal. Aan dit scenario koppelen we tenslotte een politieke agenda, met de stappen die we vanaf nu moeten zetten om tot een economie van gesloten kringlopen te komen.

De wenselijkheid van een toekomstbeeld wordt bepaald door de waarden die we koesteren. In dit scenario zetten we duurzaamheid centraal: mensen hier, elders en straks hebben een gelijke aanspraak op kwaliteit van leven, binnen de grenzen van de draagkracht van de aarde. De andere waarden die we voor ogen houden zijn deels verbonden met duurzaamheid: de veerkracht van natuurlijke en menselijke systemen,  menselijke waardigheid, zoals beschermd door de universele mensen­rechten, en solidariteit. We erkennen tenslotte de intrinsieke waarde van de levende natuur, los van haar nut voor de mens.

Voedsel

 

We eten in 2050 zonder de bijsmaak van dierenleed en milieuvervuiling. De eiwit­transitie is voltooid. De gemiddelde Nederlander consumeert nog maar tien gram dierlijke eiwitten per dag. Eiwitten uit plantaardige bron domineren ons menu.2 De productie daarvan vergt veel minder land, water, nutriënten en energie dan de productie van dierlijke eiwitten. Zo sparen we natuurlijke hulpbronnen.

Deze verandering van spijs is geen offer: het aanbod van supermarkten en bezorg­diensten bevat een keur aan plant­aardige vervan­gers voor vlees, zuivel en eieren. Die bieden evenveel smaak en alle voedingsstoffen die ons lichaam nodig heeft.

De tijd van de kiloknaller is voorbij, maar liefhebbers van vlees hebben nog steeds ruime keus: vlees uit de kringlooplandbouw, kweekvlees en insecten­vlees; vis uit zeeën en rivieren – duurzaam gevangen en pijnloos gedood – of uit viskwekerijen die aan strikte dierenwelzijns- en milieu-eisen moeten voldoen.

Gezond voedsel is de gemakkelijkste en goedkoopste keuze voor de consument. De toevoeging van vet, suiker, zout en fosfaat aan voedingswaren is bij wet beperkt. Etiketten verschaffen duidelijkheid, dankzij een stoplichtsysteem: groen voor de gezondste producten, rood voor de minst gezonde. Fabrikanten van ‘rode’ producten betalen meer belasting; groenten en fruit zijn belastingvrij.

In sommige keukens is de magnetron verdrongen door de 3D-voedselprinter. Die biedt gemak en variatie. Maar veel mensen koken nog zelf, voor het plezier of omdat ze herkenbare gewassen willen eten. De koelkast is slim geworden: hij waarschuwt bijvoorbeeld welke levensmiddelen dreigen te bederven.

Voedselprinter Foodini. Foto door BASF. CC BY-NC-ND 2.0

Dankzij een gezonder voedingspatroon is obesitas geen epidemie meer in 2050. Sommige mensen volgen een gepersonaliseerd dieet, met behulp van slimme apps die zijn toegesneden op hun genetisch profiel, leeftijd en leefstijl. Als je nano­sensoren op en in je lijf duldt, kan zo’n app je precies vertellen welke voedings­stoffen je lichaam op welk moment nodig heeft. Maar gezonde voeding mag geen obsessie worden, vinden anderen. Eten moet leuk, lekker en gezellig blijven. De maaltijd die vrienden voor je bereid hebben, beoordeel je niet aan de hand van een algoritme. Initiatieven van ziekte­kosten­verzekeraars om mensen een lagere premie te bieden in ruil voor het gehoorzamen aan een dieet-app, zijn stukgelopen op publiek protest. Eten is meer dan lichaams­onderhoud, en privacy mag geen koopwaar zijn.

Natuurinclusieve kringlooplandbouw

De overgang naar een gezonder, plantaardiger menu is hand in hand gegaan met de omslag naar een duurzamere landbouw. In 2050 is de veestapel fors gekrompen ten opzichte van 2018. De veehouderij is weer grondgebonden en vrij van antibiotica. Zij doet recht aan de natuurlijke behoeften van landbouwdieren: koeien kunnen grazen, varkens wroeten en kippen scharrelen in de buitenlucht. Veehouders kiezen voor robuuste dubbeldoelrassen, zoals kippen die geschikt zijn voor eier- én vleesproductie. Pasgeboren haantjes zijn niet langer ‘nutteloze’ beesten die meteen door de versnipperaar gaan.

Landbouwgrond, binnen en buiten Nederland, die geschikt is voor de teelt van voedsel voor mensen, offeren we niet langer op aan het verbouwen van veevoer. Ons vee wordt uitsluitend gevoed met gras­sen en kruiden uit de weide, met gewasresten die mensen niet kunnen verteren, en met bijproducten uit de voedingsindustrie en de bioraffinage. Ook kweekvlees wordt geproduceerd met reststromen.

De kringloop van nutriënten is hersteld: alle dierlijke mest wordt benut om nabijgelegen akkers en weiden vruchtbaar te houden. Deze bemesting wordt aangevuld met nutriënten die zijn teruggewonnen uit afvalwater en -slib, met compost uit groente-, fruit- en tuinafval (gft) en met de teelt van vlinder­bloemige ­gewassen, die stikstof uit de lucht vastleggen. Kunstmest is overbodig.

In de grondgebonden landbouw staat de bodemkwaliteit centraal. Een gezonde en veerkrachtige bodem, met voldoende organische stof en een grote verscheidenheid aan flora en fauna – van bacteriën en schimmels tot regenwormen – is dé voor­waarde voor voedselzekerheid in de toekomst.

Het bodemleven heeft veel baat gehad bij de uitfasering van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. De laatste hebben plaatsgemaakt voor natuurlijke plaag­bestrijding, met insecten (zoals roofmijten) en biologische gewasbeschermers (zoals schimmels die schadelijke micro-organismen weghouden van de plant).

Ook de flora en fauna boven de grond profiteren van de inkrimping van de veestapel, het einde van het mestoverschot en het afscheid van gif en kunstmest. De ‘vermesting’ van rivieren, meren en natuurgebieden, ten koste van de biodiversiteit, is gekeerd. Landbouwgif is niet langer een sluipmoordenaar van insecten, vogels en andere dieren die leven op akkers en weiden. Bloemstroken langs akkerranden, houtwallen en struiken tussen percelen, kruiden en klavers tussen het gras dragen bij aan herstel van biodiversiteit. Op het boerenland zoemen volop bijen, hommels en andere insecten die de bestuiving van gewassen voor hun rekening nemen. De akkerbouw en veeteelt van 2050 zijn natuurinclusief.

De landbouw laat niet alleen de natuur voor zich werken, maar ook de technologie. Met sensoren, satellietfoto’s en dronebeelden houden boeren het welzijn van bodem, gewas en beesten nauwgezet in de gaten. Met kleine, elektrische robot­tractoren of drones brengen zij de meststoffen of plaagbestrijders precies naar de planten die in nood zijn. Hightech precisielandbouw bespaart kosten, schaarse nutriënten en vervuiling. De inzet van precisietechnologie vergemakkelijkt ook combinatieteelt, het naast of door elkaar verbouwen van gewassen die elkaar ondersteunen met nutriënten of beschutting.

Van stadslandbouw tot zeewierteelt

In en om de steden is in 2050 een andere vorm van precisielandbouw tot wasdom gekomen: verticale stadslandbouw. Deze levert de stadsbewoners het leeuwendeel van hun verse groenten. De gewassen worden niet alleen geteeld op daken of op braakliggend terrein, maar ook op etages van gebouwen: in gestapelde bakken, op kunstmatige, recyclebare bodems en onder ledlicht. De voedingsstoffen worden gewonnen uit rioolwater en andere organische reststromen in de stad. Soms wordt de groenteteelt gecombineerd met viskweek. Verticale stadslandbouw is zuinig met ruimte en sluit kringlopen op lokaal niveau.

De Nederlandse landbouw is in 2050 diverser dan ooit, want ook zilte landbouw, zeewier- en algenteelt dragen bij aan onze voedselvoorziening, net als voedsel­bossen. In veenweidegebieden is het waterpeil verhoogd om de veenoxidatie, die bodem-daling en CO2-uitstoot veroorzaakt, te stoppen. Daar vindt nu ‘natte landbouw’ plaats, met gewassen en dieren die gedijen op een natte ondergrond, zoals lisdodde en blaarkoprunderen.

Overheden bevorderen de veredeling en teelt van een grote verscheidenheid aan gewassen. Heterogeniteit en diversiteit vergroten de veerkracht van ons voedsel­systeem. Die veerkracht is nodig nu we in het Antropoceen leven, het tijdperk waarin de (westerse) mens de grootste aanjager van veranderingen in de staat van de aarde is geworden. Klimaat­verandering vergroot het risico van wateroverlast, hagelbuien, droogte, verzilting en plagen – stuk voor stuk bedreigingen voor de oogst.

Foto door N. Borgna, 2018. CC0

Vrijwel elke vorm van boeren biedt mogelijkheden tot deelname van burgers en buitenlui. Sommige bedrijven zijn zorgboerderijen, andere geven stedelingen de kans om zich te abonneren op voedsel dat rechtstreeks van de boer komt, mee te werken op het land of een aandeel te kopen. Zo nemen boeren en consumenten samen verantwoordelijk­heid voor een duurzame voedselvoorziening. Korte ketens tussen boerderij en bord dragen bij aan het sluiten van kringlopen op lokaal en regionaal niveau. Ze helpen boeren aan een beter inkomen en consumenten aan een rijkere eetervaring – het verhaal achter ons voedsel maakt daar immers deel van uit.

Steeds meer landbouwgrond, zoals stadsakkers en voedselbossen, wordt als commons beheerd, als gemeengoed van groepen burgers voor wie niet de winst voorop staat, maar de wens om samen gezond voedsel te verbouwen met zo min mogelijk schade voor milieu en natuur. Bij de overheid heeft dit soort coöperaties een streepje voor, omdat intrinsieke motivatie meer bijdraagt aan duurzame landbouw dan welke prijsprikkel ook. Dat geldt ook voor buurttuinen en wormenhotels, die sociale verbonden­heid scheppen. Schooltuinen, tenslotte, zijn terug van nooit weggeweest; zij leren de door technologie omringde kids van 2050 over de natuurlijke kringlopen waarvan onze voedselvoorziening afhankelijk is.

Door veel minder vlees te eten, veel minder vee te houden, geen veevoer meer te verbouwen en meer voedsel in de stad te produceren, hebben we ruimte gewonnen voor wilde natuur en bossen. Nieuwe natuurgebieden, zoals het Oostvaarderswold tussen de Veluwe en de Oostvaardersplassen, dragen bij aan een robuust natuurnetwerk, met voldoende leefgebied voor grote grazers en voor roofdieren zoals de visarend en de wolf. De omschakeling naar natuurinclusieve landbouw heeft weidevogels zoals de grutto gered, en biedt extra vluchtroutes voor planten- en diersoorten die een nieuwe habitat moeten zoeken als gevolg van klimaatverandering.

Nederland draait in 2050 volledig op schone energie. Windmolenparken, energie­vliegers, zeewierboerderijen en een energie-eiland hebben het aanzien van de Noord­zee veranderd. Maar de energietransitie is alleen volbracht omdat ook steden en het platteland hun bijdrage hebben geleverd. Veel agrarische landschappen zijn tevens energielandschappen, met wind­molens, geothermieputten en natuurvriendelijke zonne­parken.

Zuinig op nutriënten

We zijn in 2050 zuinig op de nutriënten, zoals fosfaat, die onmisbaar zijn voor het leven op aarde – zowel voor mensen, dieren als gewassen. Het verspillen van fosfaat, bijvoorbeeld door over­bemesting, schaadt de natuur, maar tevens de voedsel­zekerheid van toekomstige generaties. De winbare voorraad fosfaat in de aardkorst, die we – in de vorm van kunstmest - massaal hebben aangesproken om de fosfaat­verliezen in de voedselketen te compenseren, gaat nog hooguit een paar honderd jaar mee.3

We consumeren niet langer veel meer fosfaat dan ons lichaam nodig heeft, dankzij een plantaardiger menu. De krimp van de veestapel en precisiebemesting dragen bij aan een snelle daling van het fosfaatoverschot in de Nederlandse bodem.

Een waardevolle bron van fosfaat en andere nutriënten vormt het organisch ‘afval’ van huishoudens en bedrijven: niet alleen ons gft, dat als compost terugkeert naar de landbouw, maar ook onze uitwerpselen. Water­schappen winnen fosfaat, stikstof en kalium, maar ook micronutriënten zoals zink en molybdeen, terug uit rioolzuiverings­slib en rioolwater. In nieuwbouwwijken wordt ‘nieuwe sanitatie’ toegepast: dankzij onder meer vacuümtoiletten kunnen de grondstof­fen en energie in ons organisch afval efficiënt worden teruggewonnen, binnen de wijk.4

Omzetpunt Amersfoort, waar fosfaat, stikstof en biogas worden gewonnen uit rioolwaterzuiveringsslib. Foto door Philippe Velez McIntyre, 2017.

Gezuiverd van schadelijke chemicaliën en ziektekiemen, vinden de nutriënten uit onze uitwerpselen hun weg terug naar de voedselketen. De gerecyclede meststoffen die we in Nederland niet nodig hebben, exporteren we naar landen met een tekort aan fosfaat in de bodem. Zo sluiten we kringlopen op mondiaal niveau.

In de Europese Unie, die al sinds 2014 toewerkt naar een circulaire economie, is de vraag naar gerecyclede meststoffen groot. De invoering van een Europese belas­ting op de winning en import van primaire grondstoffen, zoals fosfaat uit de mijnbouw, gaf een impuls aan recycling. Ook de mondiale vraag naar gerecyclede grondstoffen stijgt anno 2050, nu de Verenigde Naties hebben besloten tot quotering van de winning van geologisch schaarse metalen (zoals molybdeen en zink) en fosfaat, opdat deze ertsen beschik­baar blijven voor toekomstige generaties.5

Cascadering van biomassa

De massale vraag naar biomassa als ‘groene’ brandstof leidde in de jaren twintig van deze eeuw tot een zorgwekkende stijging van de voedselprijzen. De armen in de steden van ontwikkelingslanden betaalden het gelag. Sindsdien gelden er, met name in de Europese Unie, strenge eisen voor het gebruik van biomassa. Geen enkel voedsel­gewas mag nog in de tank van voertuigen belanden. Het gebruik van oogstresten en snoeihout mag niet ten koste gaan van de bodemvruchtbaarheid. Buiten de landbouw wordt biomassa – van hout en gewasresten tot zeewier en algen – allereerst als grondstof ingezet, en pas als brandstof benut als de mogelijkheden tot hergebruik en recycling zijn uitgeput. Hout wordt bijvoorbeeld eerst gebruikt als bouwmateriaal, vervolgens gerecycled tot spaanplaat en pas daarna verbrand in een energiecentrale.

Een ‘cascade’ voor biomassa bepaalt de voorkeursvolgorde van toepassingen. Behoud van bodemvruchtbaarheid en de productie van voedsel en medicijnen staan bovenaan in de cascade. Verbranding staat onderaan. Deze voorkeursvolgorde geldt ook bij bioraffinage: het uiteenrafelen van de componenten van biomassa. Bio­raffinaderijen zijn in 2050 in staat om zelfs uit verbrande biomassa nog zuivere grondstoffen te winnen, zoals kalium en fosfaat uit houtas.

Bij grootschalige verbranding van biomassa, aan het einde van de cascade, is de afvang van CO2 verplicht. Deze wordt opgeslagen onder de zeebodem. De opslag van CO2 uit biomassa is noodzakelijk om tot ‘negatieve emissies’ te komen: het verwijderen van koolstof uit de atmosfeer. Zo remmen we de opwarming van de aarde af.

In 2050 is de veestapel, ondanks de inkrimping, de grootste bron van broeikas­gassen. Vooral herkauwers, zoals runderen en schapen, stoten methaan uit. Uit mest ontsnap­pen methaan en lachgas. Negatieve emissies zijn dus ook nodig om de uitstoot van de veeteelt te compenseren, zolang Nederland niet afstapt van het houden van vee.

Brede welvaart

Gezond voedsel, korte ketens, gesloten kringlopen, een goede bodemkwaliteit, dieren­welzijn en meer bio­diversiteit zijn anno 2050 belangrijke doelen van het ‘Gemeen-schappelijk Landbouw- en Voedselbeleid’ van de Europese Unie. De wetgeving is daarop toe­gesneden; zo is een bodempaspoort verplicht voor elk landbouwperceel. Boeren worden beloond voor de diensten die zij de maatschappij leveren, zoals vergroting van biodiversiteit, landschapsonderhoud, waterberging en het vastleggen van koolstof in de bodem. Boeren moeten ook kunnen verdienen aan het voedsel dat zij produceren. Daarom heeft de Unie de verkoop van voedsel onder de kostprijs verboden. Voor import­voedsel gelden dezelfde milieu- en dierenwelzijns-eisen als voor voedsel van Europese bodem. Ten aanzien van genetische modificatie van gewassen die in het vrije veld geteeld worden, is het Europese beleid terug-houdend en streng, zeker waar de grenzen tussen soorten worden overschreden.

We slepen in 2050 minder voedsel, veevoer en dieren de wereld over. Nederland is gezakt op de wereldranglijst van voedselexporteurs, vooral door de inkrimping van de veestapel. Daar staat tegenover dat we onze natuurlijke hulp­bronnen bescher­men. We plegen niet langer roofbouw op de bodem, bossen en biodiversiteit van andere landen, door de massale import van soja en palmolie. We nemen onze verantwoor­delijkheid voor het stoppen van de zesde uitstervingsgolf in de geschiede­nis van het leven op aarde – de eerste die door mensen wordt veroorzaakt. We leveren een bijdrage aan de mondiale voedselzekerheid in tijden van klimaatverstoring6, door onze kennis over duurzame landbouw te delen met de wereld. Met innovaties als zout­water­gewassen, meerjarige granen en ziektevrije aardappel­rassen, met onze expertise over nutriën­ten­recycling, waterbeheer en voedsellogistiek, helpen we een wereld­bevolking van tien miljard mensen om zich te voeden.

Overgaan naar een circulair, natuurinclusief voedselsysteem betekent kiezen voor houdbare economische ontwikkeling in plaats van maximale groei. De bescherming van natuurlijke hulpbronnen draagt bij aan een betere kwaliteit van leven hier, elders en straks. Deze ‘brede welvaart’7, niet bbp-groei, is in 2050 de graadmeter voor geslaagd beleid.

Heb je een idee om dit voedselscenario te verbeteren? Scroll dan naar beneden om je reactie te plaatsen.

Oudegracht, Utrecht, 2018. CC0

Voetnoten 

1. Dit is een variant op de definitie die wordt gebruikt door het Centraal Bureau voor de Statistiek in de Monitor Brede Welvaart, mei 2018, p. 82

2. Een volwassen mens heeft per dag ongeveer 60 gram eiwitten uit planten of dieren nodig. Op dit moment consumeert de gemiddelde Nederlander ongeveer 74 gram dierlijke eiwitten per dag, tegenover 35 gram plantaardige eiwitten (inclusief verspilling en verlies). FAOstat

3. Het gebruik van mineraal fosfaat kleeft ook een geopolitiek risico aan. De Europese Unie is sterk afhankelijk van geïmporteerd fosfaat. Anno 2018 zijn de fosfaatmijnen geconcentreerd in een handvol landen: China, de Verenigde Staten, Marokko en de Westelijke Sahara. De leveringszekerheid is dus allerminst gegarandeerd. Wouter de Buck, ‘Lang leve fosfaat’, in de Helling, jrg. 28/3, 2015

4. Het sluiten van de fosfaatkringloop vergt dat ook uit slachtafval en de uitwerpselen van huisdieren (meer) fosfaat wordt teruggewonnen. Kimo van Dijk, Jan Peter Lesschen & Oene Oenema, ‘Phosphorus flows and balances of the European Union Member States’, in: Science of the Total Environment Vol. 542 B, 15-1-2016, pp. 1078-1093. Zie ook dit interview met Kimo van Dijk.

5. Zie het voorstel van Henckens, Driessen, Ryngaert & Worrell, dat tevens voorziet in compensatie voor mijnbouwlanden, in: Theo Henckens, Managing raw materials scarcity: safeguarding the availability of geologically scarce mineral resources for future generations, 2016, pp. 171-194

6. Als de mondiale temperatuurstijging beperkt blijft tot 1,5 à 2 graden, zoals het Klimaatverdrag van Parijs beoogt, zijn de risico’s voor unieke en bedreigde (eco)systemen en culturen nog altijd hoog, evenals de risico’s die samenhangen met extreem weer, zoals hittegolven, zware neerslag en over­stroming van kustgebieden. IPCC, Climate Change 2014: Synthesis Report, p. 18

7. Zie noot 1.

Medewerker van Bureau de Helling.
Alle artikelen

Reacties

Geachte dames, heren,

Het schetsen van circulair economische toekomstscenario's voor voedsel is koffiedik kijken. Terwijl we een landbouw-exporterende natie zijn, wordt circa 70 procent van ons dagelijkse voedsel door kleine boeren in niet-westerse landen geproduceerd. Mensen die qua inkomen afhankelijk zijn van zgn. cash crops. Neem cacao, koffie, bananen, sinaasappels en rijst, een groot aantal gewassen die we in het westen in grote hoeveelheden consumeren kunnen we niet zelf gaan verbouwen.

Sterker, door het westerse consumptiepatroon en lage lonen elders is de wereld en het klimaat tijdens de naoorlogse ingrijpend veranderd. Tijdens dezelfde periode zijn meer mensen in steden gaan wonen en hebben machtsverschuivingen plaatsgevonden. Niet regeringen maar multinationals bepalen in toenemende mate wat de meeste boeren verbouwen en de meeste mensen eten. De afstand tussen de consument en zijn of haar voedsel is enorm toegenomen. Technologische vooruitgang maakt het inmiddels mogelijk om je eigen eten met een 3-d printer te printen, en terwijl we minder aardappels eten, kunnen we die -dankzij zgn. plantveredeling- inmiddels in de Sahara of in brak water verbouwen. Terwijl niet-westerlingen, als teken van welvaart, geen insecten maar meer meer vlees gaan eten, proberen voedseltechneuten westerlingen insecten en kweekvlees uit laboratoria aan te smeren. Zogenaamde verticale en/of high-tech stadslandbouw betekent dat techneuten in de toekomst gaan bepalen welke macro- en micronutriënten mensen binnen krijgen. Want zgn. substraten als turf, water en steenwol bevatten geen macro- en micronutriënten. Pak de data van de Wereldvoedselorganisatie erbij en verbaas u bijv. over de cijfers inzake tekorten aan zgn. micronutriënten. Tot voor kort vnl. voorbehouden aan de niet-westerse wereld, maar dankzij de zgn. industriële (commerciële) landbouw is het aantal zgn. welvaartsziekten, voedselallergieën en -tekorten gestegen.
Door het CO2 overschot in de atmosfeer groeien (voedsel)planten sneller, dat betekent dat ze net als planten in kassen (waar ze CO2 gebruiken om de planten sneller te laten groeien), sneller koolhydraten (suikers) aanmaken. Dat is een risico voor de volksgezondheid dat nog maar amper wordt meegewogen in toekomstscenario's inzake voedsel. En dat we feitelijk nog te weinig weten over de onderlinge werking van micronutriënten wordt steevast en gemakshalve vaak vergeten.

De vleesconsumptie willen verminderen is een nobel streven, maar zonder goede bodemstrategie wordt de kwaliteit van ons dagelijks voedsel niet beter. En een goede bodemstrategie is meer dan een paar weilanden met kruiden en bloemetjes inzaaien.

Waarom is een goede bodemstrategie noodzakelijk? De bodem absorbeert CO2. Door foute landbouwpraktijken en systematisch misbruik van de bodem is die wereldwijd flink beschadigd. Er bestaat inmiddels een grote noodzaak om de bodem te herstellen. In de stedelijke omgeving ontgaat de meeste mensen het belang van een gezonde bodem. Sterker, de meeste steden zijn geasfalteerd, het zgn. stadsgroen is eenzijdig en/of er wordt doorlopend op bezuinigd.

Wereldwijd worden de verschillen tussen rijk en arm groter. Alleen de hogeropgeleide stadsconsument kan zich een 3d voedselprinter en/of zgn. streekproducten veroorloven. Op de meeste basisscholen wordt vnl. theoretisch natuuronderwijs gegeven. Ofwel circulair economische strategieën en visies die zich op voedselprinters, kweekvlees en zorgboerderijen richten, zonder een volledig beeld te schetsen van de huidige situatie zijn eenzijdig. Tel daarbij high-tech stadslandbouw is veel te kostbaar en niet realistisch w.b.t. de meeste (middelgrote) Nederlandse steden.

In haar 'circulair economische' visie/beleid 2050 stelt de vaderlandse regering dat lokale handel en zgn. bottom up initiatieven noodzakelijk zijn om haar CO2 ambities te halen. In de praktijk krijgen die vanuit Den Haag en van lokale overheden maar amper ondersteuning. In Nederland is de macht van het bedrijfsleven veel te groot geworden en de relatie van Wageningen universiteit met het bedrijfsleven zorgwekkend. Sterker, hierdoor lopen ze in Wageningen t.o.v. het internationale academische veld in toenemende mate achter de feiten aan. Terwijl landen om ons heen zich in toenemende mate op zgn. agro-ecologisch verantwoorde landbouw strategieën richten, zijn ze in Wageningen (nog) veel te druk met agrobusiness. Als vooraanstaande landbouw(exporterende)natie en 1 van de meest vervuilde landen van Europa, heeft Nederland ethische verplichtingen een bijdrage te leveren aan zgn. klimaatoplossingen.
En dat begint bij een gezonde bodem, want zonder een gezonde bodem is het onmogelijk het klimaat te herstellen en een gezonde (ofwel duurzame) samenleving te creëren voor toekomstige generaties!

Ik vind dit een prachtige visie uitgaande van mijn eigen kennisniveau op het gebied van voeding en landbouw. Er zijn echter twee onderdelen die ik mis voor een succesvolle landbouw- en voedseltransitie.

Ik denk één van de grootste en meest belangrijke maatregelen die we moeten gaan invoeren is het verplicht stellen van kookles op middelbare scholen. Een schooltuin hebben, maar daar vervolgens geen curriculum in de keuken omheen bouwen zal geen effect hebben. Kinderen moeten leren wat te doen met het aanbod diverse landbouwproducten. Zonder deze kennis zal men kant-en-klaar blijven kopen. De culinaire kennis is aantoonbaar abominabel onder de Nederlandse burgers. Dit is stap één!

Ten tweede wordt er wel al expliciet gesproken over combinatielandbouw. Echter zou ik in de visie graag toch een concreet stuk terug zien over landrace farming. Een landbouwmethode die met oog op de peilers genoemd in het bovenstaande stuk, de beste resultaten haalt. Landbouw bedrijven vergt holistische kennis van de complete omgeving waarin gewerkt wordt. Landrace farming is uiteindelijk deze holistische kennis optimaal gebruiken en de natuur zijn gang laten gaan. Het komt uiteindelijk neer op het verzamelen van natuurlijke mutaties uit het veld en deze te kruizen met andere mutaties uit datzelfde veld. Iedere ronde mutatie van zaden is een plant die zich weer een beetje heeft aangepast aan zijn omgeving. Het sluiten van een dergelijk cycli is rond de zeven jaar werk en resulteert in goede oogsten.

Daarnaast moeten we niet te snel naar (natuurlijke) supplementen willen grijpen als daar geen noodzaak toe is. De gewassen vertellen ons over hun tekorten aan stoffen uit de bodem. Hoe geavanceerder we dit meten hoe beter, maar de eerste oplossing moet altijd het planten van gewassen zijn voor de stof waar op dat moment een tekort aan is in de bodem.

Al met al een goede visie op wat eten en landbouw in 2050 betekent! Top werk geleverd wat mij betreft.

Wat ik mis in de inleiding is een toelichting op het immense belang van een duurzame circulaire voedselketen en het belang van wereldwijde voedselzekerheid ook gezien de sterk groeiende wereldbevolking. Daarnaast mis ik aandacht voor falende voedselproductie als belangrijke oorzaak van oorlog en vluchtelingen en van migratie. Tenslotte mis ik de analyse van de sterk ongelijke machtsverdeling in de huidige voedselketen waarin boeren volkomen klem zitten omdat zij met schulden omhangen worden en geen enkele invloed hebben op de prijs van hun producten die op de wereldmarkt wordt bepaald.
Te weinig mensen beseffen dat de huidige voedselketen niet alleen de belangrijkste oorzaak is van klimaatverandering (30%) maar ook van het overschrijden van andere ecologische grenzen zoals vermindering biodiversiteit, zoetwaterwaterverbruik, fosfor- en stikstofverzadiging en bodemconversie en een belangrijke oorzaak is van de verzuring van de oceanen, chemische vervuiling, de aantasting van de ozonlaag en fijnstof. En omdat gezond en voldoende voedsel ook nog onze eerste levensbehoefte is, is er gezien dit alles eigenlijk geen belangrijker onderwerp dan de voedselvoorziening in de toekomst.
Dan ontkom je niet aan een goede analyse van de huidige ongelijke machtsverhoudingen binnen de wereldwijde voedselketen en hoe die te veranderen. Dan hebben we het over de speculatieve financiële sector en de banken, de producenten van kunstmest, zaden en landbouwgif, de handel, de supermarkten en de producenten van landbouwmachines. Zij maken enorme winsten en dwingen de boeren tot kostprijsverlaging, grootschaligheid en het maken van schulden ten koste van het milieu en de kwaliteit en gezondheid van het voedsel.
Ook mogen we niet onderschatten hoezeer bijvoorbeeld het mislukken van de graanoogst rond Moskou aan de Arabische lente en de langdurige droogte in Syrie aan de burgeroorlog en het op gang komen van vluchtelingenstromen hebben bijgedragen. En dan hebben we het nog alleen over Afrika waar de bevolking binnen 30 jaar ruim zal verdubbelen naar 2,5 miljard. Men mag raden wat het gevolg daarvan voor vluchtelingenstromen zal zijn in combinatie met klimaatverandering en oorlogen.
Ook vind ik dat met de relatief grote aandacht voor zaken als kweek- en insectenvlees, productie van algen en 3D-voedelprinter te zeer wordt meegegaan in het voedseltechnologische frame van Wageningen waar ze als heilige graal ook nog de fotosynthese willen gaan nabootsen. Op zich is er niets tegen technologische innovatie, ga daar zeker mee door, maar dit zijn voorbeelden als het om grootschalige toepassing gat nog onbewezen technieken die vaak energie- en grondstofintensief zijn en waarvan de kwaliteit en gezondheid van het voedsel dubieus zijn. Dat komt door de kunstmatige kweek en het ontkennen van de relatie tussen gezond voedsel, gezonde spijsvertering/darmen en gezonde bodems. Het is gerommel in de marge. Het te grote geloof in technologische oplossingen is een van de grootste hindernissen op weg naar een duurzame voedselproductie en economie. En even zwart-wit: die soort voedsel is toch vaak het tegenovergestelde van lekker, leuk en gezellig?
De focus van een houdbare voedselvoorziening, die in het stuk gelukkig in voldoende mate aan bod komt, ligt volgens mij in het drastisch beperken van de vlees- en ook de zuivelproductie en het bevorderen van gezonde en levende bodems en grote diversiteit van gewassen die zich aan specifieke plaatselijke omstandigheden kunnen aanpassen. Bodems die bovendien koolstof en door hun sponswerking ook water opslaan.
Tenslotte nog een opmerking over brede welvaart. Welvaart gaat om kwaliteit van leven, van voedsel, zorg, onderwijs, veiligheid etc en om verdeling van inkomen en werk. Beide zaken, kwaliteit en verdeling worden niet gemeten in de (groei van) het BBP. Dat is dus een uiterst belabberde indicator van welvaart. Het gaat dus niet om kiezen voor houdbare economische groei, maar om kiezen voor kwaliteit en eerlijker delen en als er dan houdbaar economisch wordt gegroeid is dat meegenomen. Meer niet.

Nog een korte toevoeging.

Het is natuurlijk mooi dat we bijv. tropische vruchten kunnen eten of kruiden gebruiken die we zelf niet circulair kunnen telen. Dat willen we toch niet missen? Daarom ben ik wat betreft een duurzame voedselproductie voor 'juistschaligheid'; de optimale schaal om voedsel te produceren. Dat is liefst zo lokaal en regionaal mogelijk. Zo ben ik lid van een voedselgemeenschap waar ik wekelijks een groente/fruitpakket verzamel dat biologisch, uit de omgeving, van het seizoen, zonder verpakking en ondermeer door de inzet van vrijwilligers ook zeer betaalbaar is. Maar 'juistschaligheid' laat ook wat ruimte om - uiteraard duurzaam geproduceerd - voedsel te importeren zoals sinaasappels, bananen, sommige bonen of avocado's.

Duurzaam hoeft ook helemaal niet duur te zijn. Als je kookt met verse producten en eiwitrijke vegetarische producten zoals bonen, noten, zaden, avocado, quinoa en af en toe eitje of vis als schol of rode poon dan is een maaltijd duurzaam, gezond, smakelijk en zeer betaalbaar.

Een toekomstscenario is een beschrijving van een mogelijke toekomst en als zodanig hoeft het niet per se de toets van het realisme te doorstaan. Dit scenario is gebaseerd op de maximale inzet van nu bekende technologieën, beleidsmaatregelen en gedragswijzigingen op het gebied van voeding. Op zich denkbaar. Echter, de ‘agrofood’ sector beweegt zich met toenemende snelheid in de diametraal tegenovergestelde richting: “De primaire landbouwproductie is in toenemende mate export-georiënteerd, terwijl de voedselvoorziening import-afhankelijk wordt.”1) Dan stelt zich wel de vraag, hoe het tij te keren.
Het is noodzakelijk om naar de maatschappelijke context te kijken waarin dit scenario is geplaatst. De tekst is in dit opzicht voorzichtig en niet zeer expliciet. Alles mag, maar de indruk ontstaat dat in 2050 de burger, behalve dat hij in grote mate vegetariër is geworden, een toegewijde consument van m.n. de nieuwste technologieën is gebleven. Hij laat sensoren in zijn koelkast en zijn op lichaam toe, ondanks het gebruik van zeldzame mineralen die zulke voorwerpen vereisen . Ook op politiek gebied lijkt weinig veranderd. De op groei en winst gerichte markeconomie blijft dominant. Alternatieven blijven beperkt tot nu al als commons beheerde volkstuinachtige initiatieven.
De in de eerste paragraaf geschetste tegenstelling kan alleen opgelost worden met de ter discussie stellen van ons op groei gerichte economisch stelsel. Ook een circulaire economie kan niet duurzaam zijn als de cirkel(s) maar groter worden, en dit is zeker het geval als we ‘elders’ en ‘straks’ in de beschouwingen meenemen. Een fundamentele ommezwaai moet beginnen in het onderwijs. Op de middelbare school zou men als axioma's verpakte ficties als 'homo economicus', (individuele) nutsmaximalisatie, 'de 'invisible hand' en de daarmee verbonden zegen van markt en concurrentie met aangepast lesmateriaal ter discussie kunnen/moeten stellen. Al op de basisschool kunnen praktijkvoorbeelden (waar komen de spijkerbroeken /bananen/iPhones vandaan) kinderen aan het denken zetten. Een schitterend voorbeeld vind ik 'Fairphone' dat aan de hand van het meest iconische voorwerp van onze samenleving laat zien dat het anders kan. Zo ontstaat een voedingsbodem voor anders denken en handelen.
Maar je kunt niet wachten op de volgende generatie(s). Groen-linkse partijen zouden het voortouw moeten nemen om een maatschappelijke discussie aan te zwengelen. Een interessant inspiratiebron zou Christian Felber met zijn 'gemene-goed economie' kunnen zijn. Hij pleit voor, ontwerpt en probeert een begin te maken met de implementatie van een economisch stelsel dat de samenleving dient en onderworpen is aan democratische controle.

1)Zie artikel van prof. J.D. van der Ploeg “De wereld zit niet meer op Nederlandse landbouwkennis te wachten”, in: www.foodlog.nl

Beste Richard,
Een uitstekend stuk, een mooie visie. Maar toch enkele kanttekeningen. Met Frans van der Steen ben ik het eens dat de internationale dimensie (veel) meer uitwerking verdient. Niet alleen vanwege wereldwijde voedselzekerheid bij een helaas nog steeds groeiende wereldbevolking, maar ook vanwege de milieueffecten. We kunnen in Nederland nog zo circulair zijn, dat zet mondiaal gezien weinig zoden aan de dijk als als men het elders niet is – vooral in de lagere inkomenslanden. Frans van der Steen wijst ook op de noodzaak van een goede analyse van de huidige ongelijke machtsverhoudingen binnen de wereldwijde voedselketen en hoe die te veranderen. Dat laatste is beleid, zowel nationaal als internationaal, en ook daar kan Groen Links dus mooi de tanden in zetten.
Wat ik verder mis is een inschatting, al is het maar een hele ruwe, van de mogelijkheden om met een ecologische, grondgebonden duurzame landbouw de genoemde wereldbevolking en ook Nederland zelf van voldoende voedsel te voorzien. Het is onwaarschijnlijk dat dit enkel met ecologische, grondgebonden duurzame landbouw kan, zelfs al wordt een groot deel van het areaal nu gewijd aan dierlijke productie en de gewassen die daarvoor geteeld worden omgezet naar areaal voor plantaardig voedsel voor de mens. Er zal meer nodig zijn, en het is dan ook prima dat aandacht gegeven wordt verticale (stads)landbouw (met het voordeel van korte aanvoerlijnen), kunstvlees, insecten, en dat er zelfs voorzichtig een lansje gebroken wordt voor genetische modificatie – of zo je wilt, manipulatie.
Vooral de grotere lans die gebroken wordt voor stadslandbouw, zelfs verticale, is terecht. In Nederland en vooral ook wereldwijd zal daar veel meer aan moeten gebeuren. En zeker, de substraten die daarvoor gebruikt worden bevatten veel minder (micro) nutriënten dan goede, duurzaam beheerde landbouwgrond. Daar ligt dus een schone taak voor onderzoek en technologische ontwikkeling.
Ik ben het eens met de commentatoren dat de huidige voedingsindustrie en ten dele Wageningen en andere onderzoeksinstellingen teveel gebonden zijn aan commerciële belangen die vaak te weinig stroken met duurzame ontwikkeling en gezonde voeding. Maar dat is geen reden om dan die industrie en dat onderzoek dan maar helemaal af te wijzen: dat is het kind met het badwater weggooien. Zeker het onderzoek maar ook de industrie moet met goed beleid door een sterke overheid de juiste richting opgestuurd worden. Ook daar weer een politieke uitdaging voor Groen Links.
We zullen goed kunstvlees hard nodig hebben, vooral ook om aan de groeiende internationale vraag naar vlees, die onlosmakelijk verbonden is met zelfs een kleine toename in de welvaart, op een duurzame manier tegemoet te komen. De groep die uit ideële overwegingen het vlees eten opgeeft is klein, zelfs in Nederland, en internationaal helemaal. Een grotere groep wil nog wel eens een dagje geen vlees eten, of zelfs twee, maar daar zal het bij blijven. Op mondiaal niveau zal de impact van die twee groepen miniem zijn, en op korte en wellicht langere termijn is er geen reden om aan te nemen dat daar drastisch verandering in komt. Kunstvlees, bij voorkeur op plantaardige basis, dat net zo lekker of lekkerder is dan echt vlees, en goedkoper, zou wél een oplossing kunnen bieden.
Tot slot, overheidsbeleid ten aanzien van voedselprijzen, prima. Maar het mag nog best wat ambitieuzer. Niet alleen het niet belasten van fruit en groenten, maar het subsidiëren ervan. En niet alleen het zwaarder belasten van de producenten van “rood” voedsel, maar ook een stevige belasting op de producten zelf.
Succes met de verdere uitwerking!
Frans Doorman

Reactie toevoegen