Het zijn misschien wel de momenten waar ik het meest van geniet: die korte gesprekjes met mijn overbuurvrouw of een willekeurig persoon in de supermarkt. Het heeft geen enkele functie en vaak sta je ongeveer hetzelfde gesprek te voeren maar ik vind het heerlijk. Toch merk ik dat ik dit veel te weinig doe. Na een dag werken, kinderen ophalen en boodschappen doen sprint ik vrijwel altijd vlug mijn huis in om snel de dag af te ronden.

En daar blijk ik niet de enige in te zijn. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is het contact dat we hebben met onze buren al jaren gestaag aan het afnemen. Het past in een bredere trend. Op steeds meer plekken lijken de verbindingen in onze samenleving onder druk te staan, trekken mensen zich terug in hun bubbels en zien we de polarisatie tussen maatschappelijke groepen toenemen.

De Britse econoom Noreena Hertz spreekt zelfs van een ware eenzaamheidsepidemie die door de wereld trekt.[1] In ons eigen land geeft inmiddels de hélft van alle inwoners aan zich enigszins tot zeer eenzaam te voelen. De helft. Ik vind dat nog steeds een moeilijk te bevatten percentage.

Zwart bord met 'buurt'. Daarachter meerdere mensen.
Foto: Andrew Black, 2017. CC BY-NC-ND 2.0

Volgens Hertz is de groeiende eenzaamheid geen toevallig verschijnsel van onze gejaagde tijdsgeest. In haar boek De eenzame eeuw laat ze zien dat het onlosmakelijk verbonden is met ons huidige economische systeem: het neoliberale kapitalisme. De manier waarop wij onze economie hebben ingericht zorgt ervoor dat we continu onder druk worden gezet om de gemeenschappelijke zaken in onze samenleving op te knippen, om de mensen om ons heen als concurrent te zien en om ons leven te beschouwen als een wedstrijd waarin je alleen maar kan winnen of verliezen.

Het kapitalisme draait namelijk op één ding: de obsessie om zoveel mogelijk geld bij elkaar te harken. Winst maken, die winst weer investeren en nog meer winst maken. En omdat winst maken alleen lukt als je dingen kunt verhandelen, zorgt ons economische systeem dat er een voortdurende strooptocht gaande is op dingen die kunnen worden toegeëigend en verkocht.

Die continue jacht op winstmogelijkheden heeft ervoor gezorgd dat onze woningen, vervoersbedrijven en huisartsenposten zijn omgevormd tot financiële producten voor beleggers, dat de natuur op steeds grotere schaal wordt uitgeput en dat inmiddels niemand er meer van opkijkt dat we over mensen praten als human capital dat ‘gemanaged’ moet worden.

Alles overziend lukt het alleen de superrijken écht om te profiteren van dit systeem. De rest van ons valt in de categorie menselijk kapitaal en creëert de winstmarges van de beleggers. Uiteraard is er hierbij wel een verdeling te maken. Een grote groep Nederlanders wordt ronduit uitgebuit en is op basis van slechte en onzekere contracten vooral bezig om te overleven, terwijl een andere groep wel een zeker bestaan heeft maar alsnog lijdt onder de stijgende druk die de kapitalistische prestatiemaatschappij op hen legt. Dit is misschien wel het duidelijkst terug te zien bij scholieren die tegenwoordig van jongs af aan meekrijgen dat ze hun menselijk kapitaal op peil moeten houden, waardoor inmiddels één op de drie jongeren kampt met emotionele problemen.

Voeg je aan dit kapitalisme ook nog de neoliberale overtuiging toe dat onze overgebleven publieke voorzieningen en de overheid zélf zich eveneens moeten gedragen als commerciële marktpartijen die vooral een eigen belang hebben, dan is het weinig verbazend dat steeds meer mensen het gevoel hebben dat de verbindingen in de samenleving wegvallen. Dat is namelijk gewoon waar.

De coalitie van verdeeldheid

Het treffendst is dit wat mij betreft in kaart gebracht in het artikel Hoe Den Haag uit Nederland verdween, waarin journalisten van De Groene en Follow the Money laten zien hoe hard er de afgelopen jaren is bezuinigd op lokale voorzieningen in de kleinere gemeenten in ons land.[2]

Een voorbeeld is het dorp Kats op Noord-Beveland. Terwijl de bevolkingssamenstelling van het dorp al sinds de jaren zestig stabiel is en er dus weinig reden is om het aantal voorzieningen te verlagen, is de overheid zich in de afgelopen twintig jaar van het eiland gaan terugtrekken. Bibliotheken, scholen, zorgvoorzieningen, allemaal zijn ze geschrapt of samengevoegd. Het lokale busje wordt bestuurd door vrijwilligers en zelfs de Albert Heijn draait op onbetaalde krachten.

“ De afgelopen 25 jaar zijn in ons land 1410 basisscholen gesloten, is driekwart van alle bibliotheeklocaties opgedoekt ”

Kats is geen geïsoleerd voorbeeld. Als je inzoomt op de cijfers is het beeld echt ontstellend: de afgelopen 25 jaar zijn in ons land 1410 basisscholen gesloten, is driekwart van alle bibliotheeklocaties opgedoekt en is het aantal politiebureaus variërend per provincie met 27 procent tot 75 procent gedaald.

Wat zo sterk is aan dit artikel, is dat de onderzoekers ontdekten dat deze kaalslag samenhangt met de steun voor radicaal-rechtse partijen als de PVV. En eigenlijk is dit niet zo gek. Als we namelijk beter kijken naar de maatschappelijke rol die voorzieningen vervullen, is die veel breder dan enkel hun specifieke functie.[3] Onze voorzieningen zijn de plekken waar we elkaar ontmoeten, waar we met elkaar in contact komen, waar we ons gezien kunnen voelen en waar samenwerkingen ontstaan.

Open en toegankelijke voorzieningen vormen zo de kern van een weerbare democratische samenleving. Buurthuizen, ziekenhuizen, scholen, buurtwinkels, bibliotheken. Samen vormen zij de humuslaag waarop onze samenleving kan opbloeien. Wie dus bezuinigt op voorzieningen, bezuinigt op de verbindingen in onze samenleving en bezuinigt daarmee op onze democratie.

“ Buurthuizen, scholen, buurtwinkels, bibliotheken vormen de humuslaag waarop onze samenleving kan opbloeien ”

Maar waarom dan stemmen op radicaal-rechts? Volgens Hertz bestaat er een duidelijk verband tussen eenzaamheid, wegvallende voorzieningen én de stem op radicaal-rechts. Hoe sterker mensen op zichzelf worden teruggeworpen en hoe minder ze elkaar ontmoeten, hoe sterker hun wantrouwen en woede tegenover de rest van de samenleving wordt. En het is precies die woede tegenover de samenleving waar partijen als de PVV nadrukkelijk op inzetten.

Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid signaleert in haar vorig jaar verschenen rapport Grip dat mensen die minder grip ervaren op hun omgeving, gevoeliger worden voor autoritaire leiders, zich meer gaan identificeren met hun eigen groep en bovendien ook sneller zondebokken aanwijzen.[4]

Voor partijen als de PVV biedt de onvrede over wegvallende voorzieningen een uitgelezen kans om het beeld te creëren dat de verschraling van onze voorzieningen bovenal komt doordat de bestuurlijke elite van ons land op grote schaal ‘gelukszoekers’ binnenlaat – veelal van kleur en met islamitische achtergrond – die onze welvaart willen afpakken. En dat verhaal werkt het beste voor publieke voorzieningen.

“ Alles overziend ontstaat er zo een giftige coalitie tussen de belangen van het grote geld en de radicaal-rechtse agenda ”

Het voelt ook logisch: als het ons als samenleving al niet lukt om voor onszelf goede zorg of huisvesting overeind te houden, dan zouden we wel gek zijn om allerlei vluchtelingen op te nemen die hier ook nog een beroep op doen.

Alles overziend ontstaat er zo een giftige coalitie tussen de belangen van het grote geld en de radicaal-rechtse agenda van vreemdelingenhaat en nationalisme. Beiden kunnen ze alleen blijven groeien als het hen lukt om ons als samenleving uit elkaar te spelen en de zaken die ons met elkaar verbinden op te knippen en weg te bezuinigen. Want laten we er helder over zijn: als puntje bij paaltje komt zal ook Wilders gewoon voor de belangen de grote bedrijven en het snelle geld stemmen.

De focus die politici als Wilders en Yeşilgöz leggen op migratie en de imaginaire ‘woke-agenda’ is er uiteindelijk vooral op gericht om ons als samenleving te verdelen zodat we geen vuist kunnen vormen op de economische en sociale thema’s. Al jaren heeft de overgrote meerderheid van Nederland schoon genoeg van de marktwerking in de zorg, van de ruimte die huisjesmelkers krijgen en van de enorme ongelijkheid in ons land. Het probleem is alleen dat we ons steeds weer uit elkaar laten spelen.

De strijd voor wat ons bindt

Het wordt dus tijd dat wij de rechtse frames veel actiever gaan weerleggen als linkse partijen. De politieke strijd met radicaal-rechts is alleen te winnen als we de zondebokframes voortdurend ontmaskeren voor wat ze zijn: bullshit. Als we voortdurend blijven hameren op de werkelijkheid. Namelijk dat onze gezamenlijke voorzieningen al jarenlang bewust worden gesloopt vanuit een politieke agenda die maar één belang dient: het belang van het grote geld.

Telkens als rechtse politici migranten de schuld geven van de wooncrisis moeten wij er staan om erop te wijzen dat zij die crisis zélf hebben veroorzaakt door de middeninkomens hun recht op sociale huur te ontnemen en 120.000 sociale huurwoningen in de verkoop te gooien. De woede die zoveel mensen in Nederland voelen is terecht. Al veel te lang is de politiek er niet voor hen. En al veel te lang bepaalt een politieke elite op afstand hun leven zonder rekening te houden met hun belangen. Aan ons de opdracht om naast deze mensen te gaan staan en de woede te richten waar hij hoort.

Maar alleen zo’n tegenverhaal is niet genoeg. Want in hoeverre beantwoordt dat nou echt aan de onderliggende behoeftes van mensen? Wat wij nodig hebben is een eigen gemeenschapsverhaal. Een verhaal dat de zorgen en frustraties van mensen serieus neemt, dat erkent dat hun belang al jaren wordt genegeerd en dat hen aanspreekt op de kernbehoefte die wij allemaal hebben als mens: de behoefte om onderdeel te zijn van een collectief.

Tegenover de rechtse agenda van verdeling zetten wij de strijd voor wat wij gemeen hebben. De strijd voor wat ons bindt. En voor een groot deel zijn dat onze gezamenlijke voorzieningen.

Om dit verhaal effectief en overtuigend uit te kunnen dragen is het wel belangrijk dat we ook daadwerkelijk een alternatief weten te bieden voor het dominante kapitalistische verhaal. In dat verhaal – dat veel mensen nog altijd geloven – vormt het grote bedrijfsleven namelijk de bron van onze welvaart en zijn onze gemeenschappelijke voorzieningen vooral een kostenpost.

Hiervoor kunnen we gelukkig terecht bij een collectief van economen, verenigd in het Foundational Economy Collective. Of in goed Nederlands: het collectief voor de essentiële economie. Het collectief bestaat uit economen vanuit heel Europa en werd gevormd vanuit de overtuiging dat ons welzijn niet wordt bepaald door de omvang van economie, de winstgevendheid van bedrijven of het geld dat wij als individu weten te verzamelen.

“ Ons welzijn is boven alles afhankelijk van de toegang die we hebben tot essentiële goederen en diensten ”

Ons welzijn is boven alles afhankelijk van de toegang die we hebben tot essentiële goederen en diensten: schoon water, schone lucht, gezond en betaalbaar eten, natuur in de wijk, elektriciteit en internet, goede zorg, een huisarts in de buurt, een school in het dorp en een bus die een beetje dichtbij stopt. Dit zijn de dingen die echt onmisbaar zijn om een volwaardig leven te leiden. De mensen en organisaties die hiervoor verantwoordelijk zijn, leggen de basis van onze samenleving. Zij vormen onze essentiële economie.

Het mooie aan het werk van het collectief is dat zij niet alleen aantonen dat deze economie onmisbaar is voor ons individuele welzijn maar dat zij ook de ruggengraat vormt van onze economie als geheel. Neem alleen al de werkgelegenheid: van alle werkenden in westerse landen werkt grofweg zo’n veertig tot zestig procent in de essentiële economie. Het zijn alle mensen die dagelijks de netwerken in ons land onderhouden, die ons toegang geven tot internet, water en elektriciteit, die onze wegen aanleggen en onze woningen bouwen, het zijn de mensen die ons eten produceren en vervoeren, en het zijn de mensen die dagelijks onze kinderen lesgeven en ons zorg bieden als we oud zijn.

Ook als je verder kijkt dan de werkgelegenheidseffecten zie je dat de essentiële economie het merendeel van onze economische waarde creëert. Denk aan de enorme innovatie die voortkomt uit onze publieke hbo’s en universiteiten, waar commerciële bedrijven vervolgens van profiteren, aan de kinderopvang waar iedere medewerker zorgt dat vier andere mensen kunnen werken of denk aan onze hoogwaardige wegen en digitale infrastructuur waar ieder bedrijf van afhankelijk is. Zonder het werk in onze essentiële economie stort de rest van onze economie in. Iets wat we letterlijk terugzagen tijdens de coronacrisis toen precies de essentiële sectoren open moesten blijven.

Een scherp gemeenschapsverhaal, gebouwd rond al die mensen in de essentiële economie die waarde willen toevoegen aan onze samenleving, biedt wat mij betreft het scherpste antwoord op de opkomst van radicaal-rechts. Deze strijd is in essentie een klassenstrijd. Het is een strijd van lokale gemeenschappen die afhankelijk zijn van toegankelijke voorzieningen tegen een politieke en financiële elite die deze voorzieningen wil afbreken voor eigen gewin. Het is een strijd van al die mensen die onderdeel willen zijn van een gemeenschap, die vooral waarde willen toevoegen, door hun werk of daarbuiten, tegen een klasse die er vooral op uit is om waarde te onttrekken.

Gemeenschapsbouwers

Maar wat betekent dit dan concreet voor de beleidsagenda die wij voorstaan? Allereerst betekent het natuurlijk een offensieve agenda om op grote schaal onze voorzieningen uit te breiden. Heropen overal bibliotheken met een ontmoetingsfunctie, investeer veel sterker in betaalbaar openbaar vervoer, juist ook in onrendabele gebieden, maak energie weer een nutsfunctie in handen van de gemeenschap en garandeer dat iedereen weer toegang heeft tot zorg, zonder eigen risico.

Zorg dat de publieke ruimte weer een plek is waar we elkaar kunnen ontmoeten, waar we ontspannen en waar het gezellig is. Het wordt tijd om onze voorzieningen – of het nu gaat om de speeltuin of het gemeentekantoor – weer te verheffen tot wat socioloog Eric Klinenberg zo mooi noemt: paleizen voor het volk.[5] Want dat zijn ze: statussymbolen van onze gemeenschap die de kracht van onze samenleving tonen.

Maar het verstevigen van onze essentiële economie is niet genoeg. Kijken we door de bril van gemeenschapszin en grip, dan zien we dat die in grote delen van de essentiële economie nog ver te zoeken zijn. Veel te veel van de essentiële werkers in Nederland worden momenteel juist actief ontmoedigd om gemeenschappen te vormen. Zij staan onder continue druk om vooral productie te draaien, efficiënt te werken en te concurreren met andere organisaties in plaats van samen te werken.

Daarnaast werken ze vaak op onzekere contracten en voor lonen die hen allesbehalve in staat stellen om zich uit te spreken. Laat staan dat burgers worden uitgenodigd zich niet enkel te gedragen als klant of gebruiker maar als actieve belanghebbende die mag meebeslissen over de vormgeving van voorzieningen.

“ We moeten de essentiële economie omvormen tot een echte gemeenschapseconomie ”

Dé opdracht voor ons als links is daarom niet alleen om de essentiële economie uit te bouwen, maar vooral ook om deze om te vormen tot een echte gemeenschapseconomie. Een economie die gemeenschapsvorming aanjaagt en waar gemeenschappen ook eigenaarschap over ervaren. Niet alleen omdat we dat zo gezellig vinden als linkse mensen – wat het natuurlijk wel is – maar vooral omdat we begrijpen dat het vormen van gemeenschappen de enige manier is om het kruipende kapitalisme en de opkomst van radicaal-rechts te stoppen.

Dit betekent dat we bij ieder politiek besluit dat we nemen veel bewuster moeten gaan nadenken over de gevolgen die het heeft voor het vormen van gemeenschappen. En dat perspectief levert wat mij betreft een ander verhaal op.

Kijk je vanuit het gemeenschapsperspectief naar onze voorzieningen dan zou het wat mij betreft heel terecht zijn om ons veel actiever uit te spreken tegen de schaalvergroting die we overal zien en voor het opknippen van uit hun kluiten gegroeide bureaucratische instellingen, om deze instellingen vervolgens weer terug te geven aan de mensen die het werk doen en de gemeenschappen die er gebruik van maken. Niet alleen paleizen vóór het volk, maar paleizen ván het volk.

Een ander strijdpunt is de buurteconomie. Als je vanuit de gemeenschapsbril kijkt, zie je veel scherper hoe desastreus het is dat alle fysieke winkels wegvallen. Lokale bedrijvigheid is superbelangrijk voor de verbindingen in een buurt – en dan bedoel ik niet de bedrijvigheid die draait op thuisbezorging via onderbetaalde bezorgers en uitgebuite arbeidsmigranten in distributiecentra – maar bedrijvigheid van lokale ondernemers, die een duidelijke bijdrage leveren aan hun gemeenschap.

De politiek kan veel meer doen om deze economie te beschermen. Denk bijvoorbeeld aan de ruim 100 miljard (!) die de overheid en semi-publieke instellingen jaarlijks uitgeven aan inkoop. We kunnen besluiten dat zij voortaan niet meer inkopen als een kapitalistisch bedrijf dat enkel gericht is op de goedkoopste optie, maar dat zij inkopen met doel gemeenschappen te bouwen, bijvoorbeeld door vooral bij sociale ondernemers in te kopen.

Een andere manier is om veel actiever lokale coöperatieven aan te moedigen, waarbij direct de verbinding wordt gelegd met de opbrengsten voor de buurt, of het nou gaat om de zorg, de huisvesting, de energie- of de voedselvoorziening.

In Vrij Nederland stond een prachtig portret van één van de oprichters van de windcoöperatie Zuidenwind in Zuid-Limburg. Terwijl de PVV landelijk tekeergaat tegen windmolens, wist hij de Limburgse PVV-afdeling zover te krijgen om de windcoöperatie te omarmen. Waarom? Omdat hij direct kon laten zien wat de opbrengsten van de coöperatie waren voor de lokale gemeenschap.[6] ‘We zijn het kapitalisme te slim af geweest’, concludeert hij tevreden. Het is gelukt de lokale energievoorziening deels van de markt te halen en terug te geven aan de gemeenschap.

Onze partijen als gemeenschap

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan over beleid waarmee we het kapitalisme te slim af kunnen zijn en gemeenschappen weer kunnen versterken. Maar mijn pleidooi voor gemeenschapsvorming gaat veel verder dan alleen beleidsvoorstellen. Sterker nog, ik denk dat één van de grote valkuilen van linkse partijen is dat wij juist te veel gefocust zijn op beleid.

Want wat zou het betekenen als we onze manier van politiek bedrijven ook kritisch bekijken door de bril van gemeenschapszin? Hoe zou die eruitzien als wij ons wat minder richten op het formuleren van het allerbeste beleid en wat meer op het bouwen van gemeenschappen? Wat zou er gebeuren als we ons richten op het aangaan van duurzame relaties in de wijken en buurten die hun voorzieningen hebben zien wegvallen en die nu neigen naar radicaal-rechts? Als daar weer veel zichtbaarder worden en ons oprecht inzetten om de alledaagse frustraties in die buurten aan te pakken? Als we kiezen voor gemeenschapspolitiek, gericht op de relatie, in plaats van de oplossingenpolitiek?

En wat zou er gebeuren als wij onze partijen zélf zouden gaan zien als paleizen van het volk? Als we veel actiever gaan werven om onze politici en onze bestuurders ook qua opleidingsniveau en professionele achtergrond weer écht een afspiegeling te laten zijn van de samenleving? Als we de zeggenschap binnen onze partij weer breder gaan spreiden? Wat als we doelen als gezelligheid en gemeenschapsvorming veel actiever gaan najagen, zodat je als nieuw lid niet uitsluitend kunt bijdragen door de financiële stukken te bespreken op de ALV of te huis-aan-huizen maar ook door gewoon je handen uit de mouwen te steken in de wijk?

Ik ben er echt van overtuigd dat we zo een politiek thuis kunnen zijn voor veel meer mensen dan het gemiddelde kiezersonderzoek ons doet geloven. Uiteindelijk zijn er nog altijd genoeg dingen te vinden die ons verbinden.

Voetnoten

  1. Noreena Hertz, De eenzame eeuw. Het herstellen van menselijk contact in een wereld die steeds verder ontrafelt, 2020
  2. Coen van de Ven, Hoe Den Haag uit Nederland verdweenDe Groene Amsterdammer, 13 oktober 2021
  3. Zie voor die vaststelling ook het onderzoek van Suzan Christaanse, The loss of rural facilities: a mixed methods study on perceptions of place-change2024
  4. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle, 2023
  5. Eric Klinenberg, Palaces for the People. How Social Infrastructure Can Help Fight Inequality, Polarization, and the Decline of Civic Life, 2019
  6. Olaf Geurts, Coöperatief windmolenbouwer Andres Bauer: ‘We zijn het kapitalisme te slim af geweest’, Vrij Nederland, 9 januari 2024